STRIJD DER VOGELEN EN DER BEESTEN.

't Viervoetig wildgediert streed met 't gevogelt heftig.

Men kwam van wederzijds te velde prat en deftig:

't Zij omdat veel te laag 't gevogelt dalen kwam,

En 't eigendom al meer des aardrijks tot zich nam,

Of ander oorzaak, verre (om[246] de oudheid) nog te zoeken

In 't ongekreukt[247] pampier van onbeschreven boeken.

De strijd ging dapper aan; een ieder deed zijn best

Opdat hij zijn partij verwinnen mocht in 't lest.

De vleermuis, half beducht, haast[248] tot den dieren neigde,

Om best in tijds te ontgaan 't gedierte, dat haar dreigde,

Maar als de voglen nu, door 't vliegende gerucht[249],

De dieren dreven met de vleermuis op de vlucht,

De vleermuis sichtent[250], om haar trouwloos onderwinden,

Haar[251] geenzins dorst int koor der vooglen laten vinden,

Maar sluipt bij duister nacht om 't kwaad, dat haar aankleeft,

Haar schamende de daad die zij bedreven heeft.

Al die in d' open locht het voorhoofd op wil houden,

Zich wel van ontrouw wacht', die dobbel werd vergouden[252].

Wie eenmaal ontrouw pleegt, heeft altijd schande en smaad,

En wordt van 't mensengeslacht verbeten[253] en gehaat.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 102 / 258 题