't Wild ruig geborsteld zwijn prat[241] op den ezel smaalde,
Om dat hij alzins[242] schande en nergens lof behaalde,
Vermids hij, dom van geest en traag in zijnen gank,
Zijn leven slijten most omtrent der prijen[243] stank,
Als die onweerdig was gerekend te verkeeren
Bij de ander beesten, die zich onderling geneeren:
Waarom aan 't snoodste werk hij ook gehouden wierd:
"Maar ik (sprak 't wilde zwijn) ben d' eêlste van 't gediert,
Mijn eer klinkt over al; ja, inder princen hoven,
Daar hoort men mijne kracht en groote snelheid loven."
Den ezel, hoorens-zat en walgende van 't lof,[244]
't Welk d'[245] opgeblazen zwijn zich eigende te grof,
Riep: "willig ik ontbeere een snelheid onbedwongen,
Omdat mijn leven niet als 't uwe wordt besprongen."
Een glorie, steeds omringd van allerlei gevaar,
De wijze geerne mist al blinktze wonderbaar:
Die glans bekoort hem niet: en, liever als verheven,
Wil veilig slave zijn, en heel vergeten leven.