Den arend krom-gebekt belaagde en na ging sporen
De schaapkens wit gewold, die 't groene kruid afschoren,
En voerde op 't onverzienste een lammerken omhoog;
De rave 't spel aanzag met een begeerig oog,
En sprak dus bij haar zelfs: "is d' arend zoo onschamel,[238]
Wat hindert _mij_, dat ik niet roof den vetsten hamel
Van alle die de weide en 't groene kruid beslaan?"
Zij daalde op 's hamels rug, om hem te grijpen aan:
Maar als haar klaauwen inde wolle zijn geslagen,
Zij veel te onmachtig is, zoo vetten vlies[239] t' ontdragen.
Den herder, op zijn luim, den rave ziet verwerd,
Die op haar dieft' terstond van hem gevangen werd.
Wie boven zijne macht zich iets derf onderwinden,
Zich eindelijken zal geheel bedrogen vinden.
Wie grooter pak op loed[240], als hij verdragen mocht,
Stak menigmaal in 't zand de beenen inde locht.