ADELAAR ENDE RAVE.

Aan 't ongeruste[235] strand des zees, der duinen voêster,

Vond eenen adelaar een toegesloten oester,

Zoo vast gesloten schelp, dat hij vergeefs zijn best

En ijd'len arbeid deed, om t' openen op 't lest.

Een rave daar ontrent, om zulken buit te krijgen

Riep: "O, gij most om hoog recht na de wolken stijgen,

En brijzlen d' oester-schelp door 't vallen na beneên,

Op een verheven klippe en rotse of herden steen:

Want ijdel en vergeefs gij arbeidt, met bezuren,

Te breken deze schelp, die hard is van naturen."

Den arend dit geviel: steeg opwaarts na de locht,

Liet vallen d' oester-schelp op datze breken mocht:

De schelpe viel in twee, datze op de rotse klapte:

De rave daar omtrent den visch terstond opsnapte.--

De tafel-vrunden zijn zoodanig ook van aard:

Zij troetelen de weerd om eenen lekken-baard[236];

Maar als ten einde loopt het brassen en het smeeren,

Zoo wil[237] de vrundschap fluks in vijandschap verkeeren.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 96 / 258 题