DE OS EN DE GEMESTE KOE.

Een os, die zwaar gejukt den tragen ploeg most[231] slepen,

En stadig werd gedreigd met 't luid geklats der zweepen,

Des avonds werd gestald, amechtig[232], mat en moê,

En rustten naast de krib van een gemeste koe,

Die schamper dreef den spot met al zijn slavernije,

Omdat zij leefde in weelde en huppelde als de vrije[233],

Maar eind'lijk werd den os gewaar, en nam wel acht,

Dat dees gemeste veers werd met de bijl geslacht.

Waarom hij zijnen staat voor d' ander heeft geprezen,

Vermids hij niet en had de slag des bijls te vreezen;

Dies koos[234] zijn slavernij nog liever, als een wijl

In wellust opgevoed te werden voor de bijl.

Wie 't einde gade slaat van goeden en van kwaden,

De korte wellust zal verfoeyen en versmaden;

De wellust is wel zoet in d' uiterlijken schijn,

Maar kan van druk en rouw niet afgescheiden zijn.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 94 / 258 题