DE PAAUW EN DE EXTER.

Al wat op wieken zweeft vergaderde te zamen,

Op datze een braaf monarch en overheer bekwamen;

De een stemde, dat de zwaan vanouds de kroon toe kwam,

En de ander d' arend koos, van keizerlijken stam.

Ten lesten is de stem en uitspraak van haar allen

Op de opgepronkte paauw eendrachtelijk gevallen;

Vermids die om de glans zijns schoonheids was beromd,

Zij stemden, dat de kroon rechtveerdig hem toekomt.

Maar de exster snaterbek de waarheid niet kon zwijgen,

En sprak: "van waar of wij dan hulpe zullen krijgen,

Als ergens iemand ons heel te onderdrukken poogt?

Dewijl gij op 's paauws kracht al heel niet steunen moogt.

Of zou de vijand, voor de luister van zijn pluimen

En schoone schachten 't veld verbaasd[230] wel moeten ruimen?"

Een schoonheid, onverzeld van wijsheid en van macht,

Een vlek is in het bloed en koninklijk geslacht.

De schoonheid van een prins kan nergens de onderzaten,

In tijd van strijdensnood, noch helpen noch iet baten.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 92 / 258 题