De vogelaar belaagde een tortel schoon van veêren,
En dacht haar in zijn net het vliegen te verleeren;
Zijn strikken hij bereidt, zijn netten spant hij uit.
Het duifken wordt beweegd, aanziende zulken buit
Van rijk en edel zaad, en daalde naar het garen:
Maar och, wat droefheid is den voog'laar wedervaren!
Zoo fluks hij trekken wil, hij op een slange treedt,
En voelt in 't linker been een doodelijke beet.
De tortel is verheugd, zij koomt tot hem gevlogen,
En roept: "nu moet gij zelf de bleeke dood gedoogen[227],
Die onze onnoozelheid bespied hebt en belaagd,
Die in 't bedrieglijk net mijn maagschap hebt gejaagd."
Wie andren wil verraân, zich zelven vindt verraden;
Hij jaagt zijn eigen schâ, die and'ren wil beschaden[228].
De kwade zijnen list op elk-een heeft gemunt,
Maar zulks[229] hij and'ren wenscht, zulks[229] wordt hem weêr
gegund.