DE LEEUW MET D' ANDERE DIEREN.

De leeuw, der dieren hoofd, beval dat alle beesten

Zich rusten tot den krijg, de minste met den meesten[225].

't Langhalzige kameel, den ezel en den stier,

De beer, den haas, het zwijn, en 't wreede panterdier,

De luipaart, en de wolf, ten hove fluks verschenen,

Met al wat 't aardrijk drukt, en voorts treedt op vier beenen.

Toen sprak de ruige beer: "heer koning! zijdy dwaas,

Dat gij gedagvaard hebt den ezel en den haas?

Die onbekwaam ten krijg schier vluchten voor de doode?

Den ezel is te bot, den haas is veel te bloode.

Des ezels dommigheid is wijd en zijd berucht;

En 't haasken drijft de vreeze al stadig op de vlucht!"

"Neen (sprak de stoute leeuw), die twee ons nut zijn zullen:

Den ezel schrik aanbrengt, vermids zijn eislijk brullen;

Het haasken vlug en snel, in 't loopen wel geleerd,

Boodschappen zal al 't geen wat in de krijg passeert."

Die, om 't gemeene beste eendrachtig te beleiden[226],

Zoo rijp is van beraad, zoo kloek en zoo bescheiden,

Dat zelf de onnutst' hem ook te passe komen kan,

Zulk eene 't beeld uitdrukt van een bijzonder man.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 88 / 258 题