De vorsch benijdde, dat 't gehoornde beest af-snoeide
Het lisch en 't groene kruid, dat bij zijn poelen groeide,
En zwillende[209] onbedacht, van haat en af-gonst dul,
Bestond, hoe klein en teêr, te snorken op den bul,
Ter tijd[210] hij borst aan tween door grootsheid opgeblazen,
Besprengende met bloed en vochtigheid de grazen[211].
"O, (riep 't viervoetig dier) wat duller razernij
Bevangt u, dat gij u dus opstelt tegen mij!
Dat gij uw teêrderheid en zwakheid gaat vergeten,
En dorft u tegen mij het worstelen vermeten!"
Leergierige! leert hier, dat iedereen vooral
Een grooter sterkte voor[212] zijne zwakheid stellen[213] zal;
Dat minder tegen meerdre, in macht onvergeleken[214],
Zich wacht den hane-kam of pluimen op te steken[215].
Wie aan[216] den prikkel stoot, verplet zijn eigen hoofd;
Wijs is hij, die zich zelf niet al te veel gelooft[217].