DE VORSCH, RAT, EN ADELAAR.

Der groener[205] vorschen heer bestond zeer fel te woelen,

En met den ratten krijg te voeren om de poelen;

Doch, eindlijk afgemat, besloten eenen vreê,

En hielden in 't moras te gaâr haar plaats en steê.

Der vorschen koning, nog des krijges niet vergeten,

Den velden-vorst belaagde en noodde hem ten eten,

Die peinsende om[206] geen wraak, beschreed des vorschen rug,

Op dat hij over 't meer hem strekken mocht een brug;

Maar midden in den stroom gezwommen en gekropen,

De vorsch uit ouden haat de veld-rat heeft verzopen.

't Welk als den arend zag, heeft deze buit beloerd,

En vorsch en rat om hoog tot haren roof gevoerd.--

De moorders nimmermeer haar[207] straffe ontvluchten mogen;

De straffe treedt alzins den boozen onder oogen;

Zij volgt hem waar hij gaat, gelijk de schaduw 't lijf,

En altijds koomt hem voor zijn goddeloos bedrijf.

't Vergoten bloed roept wraak, waar dat hij is gevloden,

Ter tijd[208] de levende is begraven bij den dooden.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 80 / 258 题