DE PAPEGAAI EN DE VOS.

De klapper papegaai, op 't opperste eender eiken[200],

Met vette roof gelaân, kon Reinaart niet bereiken;

Dies hongrig naar de kaas, die zij genepen had

Met haren krommen bek, bedrieglijk tot haar trad:

"Geluk, (riep hij) geluk! o wiens gemaalde veêren

Al de andre vooglen wijd[201] in zuiverheid passeeren[202],

Indien uw schoonheid met 't wel-klinkende geluid

Van zingen waar gepaard, gij waart de braafste[203] bruid

Van al dat, licht-gewiekt, met uitgebreide schachten,

Het dunne locht doorsnijdt en 't aardrijk gaat verachten."

De papegaai, door 't lof[204] beweegd in hare ziel,

Stak op een heesche keel; dies haar de kaas ontviel;

Die 't slimme Reintjen nam; en leerde d' hoog gezeten,

Bedrogen vogel zoo welzingen voor zijn eten.

Zulks is der vleyers kunst, die van de wijste man,

Als hij haar 't oore leent, 't gehoor betoovren kan:

Schoon woorden geven zij, waar door z' hem achterhalen,

Wanneer hij die op 't diepste in 't reeknen moet betalen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 78 / 258 题