Den ezel, overlaân en met veel pakken zwanger,
Viel zijnen zwaren last op reize langs hoe banger;
Dies hij zijn reis-gezel, amachtig, moede en mat,
Het weeldig ros, om hulpe en wat ontlasting bad.
't Welk voerloos niet alleen hier door niet werd betogen[196],
Maar heeft den armen muil, van trossen krom gebogen,
In zijn ellend beschimpt, ter tijd[197] het slaafsche beest
Ter aarden nederviel en deerlijk gaf den geest.
De reiziger, die om zijn reis te spoeden pasten[198],
Bestond met 's ezels last 's peerds rugge te belasten;
't Welk weigerende, met veel slagen fel gegroet,
Het lachen werd verleerd in 's ezels tegenspoed.
Wie in eens anders kruis en lijden schept vermaken,
En onmeêdoogende is, mag ernstelijken waken:
Want, als hij zal verzaad zijn van zijn spot-geral[199],
Hij eindelijk zelver 't juk des onspoeds dragen zal.