Het krom-gehoornde beest den hooi-berg hongrig raakte,
Daar eenen graauwen dog zijn bedde en nest af maakte;
Die, als hij werd gewaar de komst des grooten stiers,
Heeft hij hem afgeweerd van 't hooi met veel getiers;
Dies heeft 't verhongerd dier zijn droeve stem verheven:
"Hoe, makker! gun mij 't hooi, en houd mij bij den leven;
't Is eigenst[193], dat ik heb, gij hebt geen hooi van doen:
Hooi boet[194] uw honger niet, noch 't kan geen honden voên."
"Neen," zegt de blaffer, "neen; past fluks dees plaats te ruimen;
't Is waar, ik eet geen hooi, maar 't hooi is mij als pluimen[195];
't Hooi doet mij slapen zacht, 't is 't bedde van mijn kooi,
't Brengt rust en wellust aan; dus pakt u van mijn hooi."
Zulks is den boozen aard van veel brood-dronken menschen,
Die in wellustigheid, na haren lust en wenschen,
Onnuttelijk verdoen 't geen de arme ontbeert ter nood,
En weigren in haar weeld' den hongerigen 't brood.