Den dief in 's borgers huis, bij duister nacht gebroken,
Van d' huis-bewaarder hond ontdekt werd en geroken;
Dies hij, in lijfs-gevaar, den hond aanbood ter nood,
Indien hij 't blaffen staakte, een lekker garsten-brood.
Maar 't aldertrouwste beest, zijn amps en plicht gedachtig,
Al blaffende verhief zijn stemme langs hoe krachtig[188];
Opwekkende 't gezin luids-keels met groot gerucht,
En dreef met deze stem den roover op de vlucht:
"Zoude ik, om 't snood genot, uw diefte en boosheid helen,
En trouweloos alzoo mijns heeren goeden[189] stelen?
Of door begeertens brand, om winst mij toegezeîd,
U veilen 't goed gerucht[190] van mijn getrouwigheid?
Vliedt, roover! pakt u weg; verziet u[191] voor mijn schelden;
Mijn eere is mij te weerd, uw munt wil[192] hier niet gelden."
Dees fabel stelt ten toon de schuld en plicht oprecht
Van een getrouw gemoed, en vroom, rechtvaardig, knecht,
Die 's heeren haaf beschut en voorstaat als zijn eigen,
Noch om geen giften zal tot trouweloosheid neigen.