Als bij geval de wolf en 't lammeken te zamen
Het zilver van een borne[183] of beek te drinken kwamen,
De wolf ter zijden zag, en riep, geheel ontsteld:
"Wie zijdy, die u hier zoo dicht bij mij verzelt?
Die 't water roeren dorft en 't nat van dees rivieren?
Gewis, al waardy schoon[184] een vande grootste stieren,
Die stoutheid waar te groot:" Het lammeken verbaasd
Zijn onschuld[185] heeft gemaakt; maar Wolfaart, als beraasd[186],
't Onnoosle dierken greep, en vatte 't bij der keelen[187],
En riep: "hoe, zuldy van uw ouders niet verschelen,
Maar volgen haren aard? ik zweere, voor die schuld,
Gij, eer de zonne daalt, mij 't leven laten zult!"
Wie brandt, om andren te verbijten en verslinden,
Licht iemand schuldig kent, en kan een oorzaak vinden.
Men slaat 't onnoozel lam om 't vet en om de rok;
Want wie den hond wil slaan vindt lichtelijk eenen stok.