't Lang-oorig lastbaar dier, jaloersch om al de weelde
Des honds, die inden schoot zijns meesters daaglijks speelde,
Die 't beste wildbraad at, dat vande tafel viel,
En smulden als de geen die altijd feest-dag hiel[179],
Werd eindelijk beraân zijn meester te feesteeren[180],
En sprong met luid gebulk op 's heeren zijde-kleêren.
Den huis-heer, al verbaasd, roept: "wapen, wapen[181], moord!"
't Gezin raakt op de been, de knechten komen voort:
En ziende 't woest bedrijf, en 's ezels vremde zeden,
Met kluppel-slagen hem bestreken al zijn leden:
Besmeerden hem zijn huid, en spoedden naar de stal,
Daar hij met droefheid mocht beklagen zijn misval.
Gij, die lichtveerdiglijk verandert wispelturig
Van 't een tot 't ander ampt, en zelden zijt gedurig
In 't opgeleid beroep, vernoegt[182] met uwen staat,
Op dat het u op 't lest niet als den ezel gaat.