DE AREND EN DE VOS.

Den arend krom-gebekt het vossen-nest beloerde,

Daar zij de jongskens uit bij haar gebroedsel voerde.

Die, veilig van 't gediert, van hagel, wind en stroom,

Gelegerd lagen inde top van eenen boom.

De vos, die is beleurd[172], is toornig en ontsteken,

Met eenen ook gezind, zijn leed op 't strengst te wreken;

Maar als[173] 't aan vlerken mist[174] om stijgen in de locht,

Daar in den top des booms zijn jongsken zijn gebrocht,

Hij met een vuurge toorts 't gebladerd hout van onder

Aan lichter lagen[175] blaast en branden doet te wonder.

Laas! de arends schreyen vast in 't midden van 't gesmook,

De moeder hopeloos vast vliegt om vuur en rook;

Maar och! 't is al vergeefs, 't en houdt niet op van branden,

Of al 't gebroedsel is, met nest en al, ter schanden.

Gij, die in mogendheid, gelijk gebenedijd[176],

Tot op der eeren troon als Goôn verheven zijt,

U voor de minste ontziet, en wacht u haar[177] te krenken:

Gedenkt, dat de alderkleinst' zich zal te wreken denken[178].

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 66 / 258 题