DE VOS EN DE BIJEN.

Den vos, in eenen strik geraakt in duizend lijen,

Besprongen eenen zwerm van hommelende bijen;

Die priemden[171] hem alsins op 't heetste van den dag

Met anglen in 't lijf, daar hij gevangen lag.

Zijn makker tot hem treedt, en raadt, dat hij te zamen

Dien zwerm af-schudden zal, die hem zoo deerlijk pramen[171];

"Neen," zegt de schalke vos, "dees biekens zijn nu zat

Van 't looze Reintjens bloed, dat liefelijke nat;

Verjage ik deze zwerm, zoo koomt'er weêr een jonger,

Met nieuwen appetijt, met verschen gragen honger,

Die zouden van mijn vleesch en bloed haar-zelven voên,

Met meerder pijn en smert als mij nu deze doen."

Het is een oude sprook, de welk de natuur nog heden

In 's herten tafel heeft uitdrukkelijk gesneden,

Dat van twee kwaden 't beste altijd te kiezen staat:

Wel hem, die in 't verdriet het slimste nog ontgaat.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 64 / 258 题