De hongerige raaf, tot stelen altijd vlugge,
Vloog 't witgewolde schaap op zijnen bonten[169] rugge;
Uitplukkende van 't vlies de wol gelijk verwoed,
Doorpikt het blanke vel, en zuipt 't onnoosle bloed;
Het lammeken lijdt smert, doet niet dan droevig blaren,
Maar kan de vogel noch verschrikken noch vervaren.
Dies het ten leste spreekt: "bloed-zuipende tyran!
Gij zijt voorwaar op mij een dapper held en man;
Op mij, onnoozel dier en weerloos heel met allen[170]!
Maar, hebdy 't hert, bestaat den hond eens aan te vallen."
De raaf wordt noch beweegd noch luistert naar die zang,
Zuipt 't jonge lamren-bloed, gaat vlijtig haren gang.
De klachten zijn vergeefs, vergeefs zijn al de tranen,
Die voor een dwingeland uitstorten de onderdanen;
Hij lacht in hun verdriet, hij groeit in hunne smert,
En voedt met haren druk de blijdschap in zijn hert.