De schelpe-drager kreeft wild' haars gelijk aanwijzen,
Dat 't voorwaarts zwemmen meer als 't aarslen[162] is te prijzen:
Al was 't schoon, dat[163] nature haarluiden[164] in dit deel
In 't scheppen hadde ontbloot van schoonheid al geheel,
Vermits zij andren hadde op andre wijs gegeven,
Met vinnen door het vocht recht voorwaarts uit te zweven.
Maar de onderwezen kreeft sprak zijnen makker aan,
Dewijl hij 't had geleerd, hij zoudet[165] eerst bestaan,
En als een leerlijk beeld[166] het vochte veld doorploegen,
Hij wilde[167] recht op 't spoor hem na te volgen voegen[168].--
Gij, die 't voortrefflijk ambt eens leeraars vast bekleedt,
En andren haar gebrek te toonen zijt gereed,
U zelven eerst bestiert, wilt in u zelf genezen
't Geen gij in andren meent bestraffelijk te wezen;
Want als gij andren leert, en blijft van 't goede schuw,
Zoo blijft een dobbel zonde en grover vlek in u.