DE WOLF IN 'T SCHAAPS-KLEED VOOR DE KOOI VAN 'T SCHAAP.

De wolf kwam tot de kooi der wapenlooze schapen,

Vermomd met 't lammren-vel, om d' hamel te betrapen[147],

En bad hem, dat hij zich vervoegen wilde in 't woud,

Dat als een schoon priëel was loof-rijk opgebouwd;

Maar d' hamel zeide: "ik zou u geerne gaan verzellen,

Indien gij waart een wolf, die u te weer mocht[148] stellen,

Zoo eenig ongediert ons overviel in 't groen."

De wolf, gelijk verheugd om zulk een antwoord, toen

Van 't schaaps-vel zich ontsloeg, en sprak: "t'sa, gaan wij wakker!

Ik ben de wolf, uw vrund en aldertrouwste makker."

"Neen," sprak den hamel toen, "gaat uwer straten[149] heen,

En hebt met uwsgelijk uw lust en vreugd gemeen;

Mijn schaaps-kooi ik behoe[150], ter tijd ik, t' mijner bate,

Een trouw gezel bekoom, daarop[151] ik mij verlate:

Genoeg heb ik geleerd, aan deze uw vreemde pert[152],

Dat onder 't schapen-vel school 't wreede wolven-hert."

't Is al van ouds, dat, om de onnooslen te verlokken

De wreeden 't schapen-vel arglistelijk aantrokken;

De schijn veeltijds bedriegt, dus is hij wijs bedacht,

Die jonker Wolfaart vreest, en zich voor 't schaaps-vel wacht.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 53 / 258 题