De gladde muil, gestald aan eener voller kribben[142],
Zich mestte rond en bol, dat 't smeer kleefde aan de ribben,
Vermids hij noch met last noch arbeid was bezwaard,
Waarom hij weeldig werd en brieschten als een paard,
Beroemende[143] 't geslacht, waar van hij was gesproten,
Ja, van veel eedler bloed als al zijn tijdgenooten,
Verheffende zijn deugd en 's draf-geleerdheids kunst,
Waardoor hij t' hemwaarts trok zijns heeren oog en gunst,
Waardoor hij overtrof Ros-bayaard[144] in 't pikeeren[145],
In ren of in tornooi, in springen of in keeren.
Maar als de muil op 't lest werd voortgebracht in 't perk,
En op zijn traagheid-van-naturen nam gemerk[146],
Als de andre hengsten hem zoo wijd te boven gingen,
Het zij in wakkerheid van draven of van springen:
"Nu (sprak hij) merk ik licht, als ik mij zelven ken,
Dat ik van 't ezels bloed van oud gesproten ben."
De roemers varen zoo, die zot haar zelfs flatteeren,
En roemen van het geen zij in der daad ontberen;
Of iemand duizendmaal met roem zich zelf bekroont,
De ervarenheid betuigt, wat deugd bij iemand woont.