De wolf een vuile zog[137] ziende in den misthoop liggen,
Die zwanger nu bestond te stenen en te biggen[138],
Zich vroêmoer heeft geveinsd, en haar, in biggens smert,
Te helpen aangeboôn uit een meêdoogend hert;
Zulks heeft de vuile zeuge al morrende afgeslagen.
De wolf, om zulken roof te beter te belagen,
Erbood[139] zich minne-moêr te willen zijn van 't spek,
Dat nergens beter groeit als in zijn eigen drek.
Maar als de bigster nu bemerkte 's wolves treken,
Zij met deze antwoorde is der dieren schrik ontweken:
"Gaat henen, jonker wolf! uw smeer[140] en pelsen huid
Betuigen, wie gij zijt; zoekt elders uwen buit."
Gij, die nog menschen wilt in deze wereld schijnen,
En doodt de aanstaande vrucht uws lichaams met venijnen
(Ik laat 't opvoeden staan[141]);--komt herwaarts, en ontwaakt:
Ziet, hoe het vuilste beest, de zeuge, uw vonnis maakt!
't Zijn hoeren, die haar lief onechtelijk omarmen;
Maar Duivels, die de vrucht haars lichaams niet beschermen.