VAN DEN LEUGENACHTIGEN SCHAAP-HERDER.

Een, die met d' herder-staf de wit gewolde kudden

Voor 't ongediert op 't veld belast was te beschudden[133],

Uit schalkheid menigmaal zijn luide stem verhief:

"Help, wapen! wapen, help! en weert den schapen-dief!

De wolf mijn kudd' belaagt, en ligt hier bij geslopen!"

De land-liên kwamen fluks tot onderstand geloopen,

Zoo lange tot, van hem bedrogen menigmaal,

Zij sloegen in de wind zijn schalke logen-taal.

Ten leste kwam degeen, die vast op[134] jonge lamren,

Dies d' herder deerlijk kreesch, het zou een mensche jamren:

"Help! nageburen, help! mijn kuddeken lijdt nood,

De wolf van 't beste vlies mijn schaaps-kudd' heeft ontbloot!"

Zijn roepen was vergeefs, vergeefs was 's herders weenen,

Zij dachten: 't is bedrog, hij liegt gelijk voorhenen.

Zulks en zoodanig is der logenaren loon,

Diens[135] goddelooze tong te liegen is gewoon:

Al spreekt hij somtijds schoon[136] de waarheid zonder liegen,

Men geeft hem geen geloof, die lust heeft in 't bedriegen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 47 / 258 题