DE ESSCHEN-BOOM EN 'T RIET.

Een dik gegroeiden esch, wiens steile toppen gingen

Recht naar de sterren toe en 's Hemels zolderingen,

Trotseerde, dat hij stond verheven in 't foreest[129],

Spijt d' alderfelsten storm en allerlei tempeest:

Braveerde, dat hij was veel sterker van vermogen

Als 't riet, dat van den wind al stadig wordt gebogen;

Als 't wankelbare riet, dat siddert, schudt en beeft

Voor de alderminste koelt', die langs de velden zweeft.

Hij eindigt naauw, een bui ontstaat met sneller vaarden[130],

En velt den esschen-boom ontworteld uit der aarden.

't Riet, speurende de val desgenen, die terstond

't Gebladerd hoofd opstak en hoog verheven stond,

Dus bij zich zelven spreekt: "o, veilig wonderbaarlijk

Is nederigen staat voor[131] hoogheid, die gevaarlijk

Het onderwerpsel is van[132] allerhande leed,

En schielijk wordt gedreigd te vallen eer men 't weet."

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 45 / 258 题