De wolf, der schapen vrees, door 't al te gulzig slikken
Aan een verzwolgen been schier meende te verstikken;
Dies hij, op hoop van hulp, de langgehalsde kraan
Met veel beloften heeft verwil'gd[125], zijn leed t' ontslaan.
De kraan, op winst verzot, heeft stout en onverschrokken
Uit de opgesperde keel des wolfs het been getrokken;
Maar als zij nu om loon heeft (wel verdiend) getaald[126],
Heeft met deze antwoord haar 't geholpen dier betaald:
"Wat plompheid kleeft u aan, dat gij nog eischt belooning,
Of is niet loons genoeg de erbarmlijke[127] verschooning,
Zoo dadelijk betoond? toen ik, hoe wreed geaard,
Uw keel in mijne keel meêdoogend' heb gespaard.
Dus uwer straten gaat, gaat henen uwer straten,
En 't leven hebt te loon, dat ik u heb gelaten!"
De ondankbre nimmermeer t' erkennen is bereed[128]
De weldaad en de deugd, die aan hem is besteed;
Zich zelven kent hij niet, blijft trotsch, stout en hovaardig,
't Koomt (waant hij) hem al toe, en is nog meerder waardig.