VAN DE MIER EN DE KREKEL.

De magre krekel, nu van 's winters koû besprongen,

Zocht aan 't kloek mierken heil, tot bedelen gedrongen,

En met een heesche stem viel 't bezig dierken aan:

"Erbermt u, juffrouw Mier! en om een weinig graan

Mij ongetroost niet laat, noch hongersnood bezuren,

Mijn armoê wat vervult, en opent uwe schuren."

Maar 't wakker beestjen, vrij van kommer en ellend,

Den krekel heeft aldus zijn traagheid voorgewend[122]:

"Draagt nu verschulde[123] straf, draagt nu 't vermaledijden,

Die al den zomer sleet in wellust en verblijden,

Die de aangename tijd en zegen hebt veracht,

En slempende uwen oogst verkwist en doorgebracht."

Het kostelijke pand en kleinood uitgenomen[124],

Is de altijd vliênde tijd, die, huiden omgekomen,

Niet morgen weder keert; wijs is hij van beraad,

Die 's tijds gelegenheid beoogt en gade slaat;

Die op geen weelde steunt, noch die, hoe hoog gezeten,

De aanstaande zwarigheid lichtveerdig gaat vergeten.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 41 / 258 题