VAN DE WIND, ZONNE, ENDE WANDELAAR.[111]

De sture Boreas[112] wel sterkelijk beweerde,

Dat hij de schoone Zon in mogendheid passeerde;

Zulk roemen Fœbo[113] docht een al te groote spijt,

Fluks dagende overzulks[114] den blaas-kaak uit ten strijd.

De Noord-wind was gereed, liet zich ter plaatsen[115] vinden,

En snorkte, dat hij was de sterkste van de winden.

Zij maakten een verdrag, de een voor en de ander naar[116],

Te proeven hare kracht op eenen reizenaar.[117]

De bulderaar began[118], en blies met volle kaken,

Wierp eike-boomen om en hoog-gerezen daken.

De reiziger terwijl hield zijnen mantel vast,

Spijt wat hij blazen mocht, wel stijf om 't lijf gepast.

De wind, na lang geruisch, niet[119] ziende te vermogen,

Gaf oorlof, dat de zon nu ook haar kracht mocht toogen;

De Zon, die zoetelijk uit 's Hemels gouden dak,

Op 't hoofd des reizenaars met heete stralen stak,

Dat, zwetende ademloos, zijn kleedren hem verdroten,

En zich[120] van 's mantels last genoodzaakt was t' ontblooten.

Gij, die te streng regeert, leert wat een macht, vermengd

Met reên[121] en zachtigheid, al nuttigheid toe-brengt.

Gematigd' heerschappij onbuigelijken lieden

Veel dragelijker valt, als al te streng gebieden;

't Gemeene volk, dat haat een al te korten lijn,

't Wil liever zacht geleid, als hard gedwongen zijn.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 39 / 258 题