VAN DE WOLVEN EN DE SCHAPEN.

De schapen hadden met de felle wolven t' zamen

Een heftig krijg-geschil; dies haar te hulpe kwamen

De wakker honden, die zich toonden al bereid,

Haar zaak t' handhaven en haar groote onnoozelheid[103].

De wolven, buiten hoop van de overhand te houden,

De schaapkens boden aan (indien zij 't haar vertrouwden)

Te handelen van vreed': mits dat, van stonden aan,

Zij d'honden zouden als in gijseling ontslaân,

En daar voor wederom de wolfkens tot haar zenden.

De schaapkens stemden zulks; o, droefheid! wat ellenden

Genaakten haar zoo fluks! van d'honden zij ontbloot,

Het een na 't ander van den wolfkens werd gedood,

Al d'honden waren van den wolventand verbeten[104].--

Zoo varen zij, die licht der ouden leer vergeten,

Dewelk ons streng verbiedt[105], dat zich een ieder wacht

Te stellen zijn geweld[106] in 's vijands wil en macht;

Noch dat wij nimmer ons in slaap en laten wiegen

Van hem, die al van ouds gewoon is te bedriegen,

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 35 / 258 题