PAAUW EN DE NACHTEGAAL.

De schoon-geveêrde paauw aanhoorde, met begeeren,

Het nachtegaalken in de wilgen quinkeleeren,

En werd bijna verliefd op 't liefelijk gezang,

En 't goddelijk muziek, dat uit de takken klank[98].

Ten laatste sprak ze aldus: "O moeder aller dingen!

Nature, die mij voor veel andren zonderlingen[99]

En heerlijk hebt gecierd, hoe was ik zoo onweerd,

Dat gij wèlzingens[100] kunst met mijnen gouden steert

En eersleep niet te gaâr hebt willen huwelijken,

Op dat ik zoo alzins der vooglen roem mocht strijken!"

Nature toen terstond heeft 's paauws ondankbaarheid

Berispt, om dat met 't geen, haar rijklijk bijgeleid[101],

Zij niet en was vernoegd; gelijk, tot geenen tijden,

Het nachtegaalken niet 's paauws voordeel zal benijden,

Maar zich te vreden houdt met 't geen haar is gejond[102].

"Indien ook (zeide zij) het elkeen waar vergond,

Te hebben 't geen hij wenscht, 't stond grootelijks te vreezen

Dat met vernieuwen ik alsteeds zou bezig wezen.

Gij, die met uwen staat noch eens ontvangen lot

U nimmermeer vernoegt, maar opstaat tegen God

En der naturen wet, leert met vernoeging leven,

Noch wenscht niet na het gene een ander is gegeven."

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 33 / 258 题