DE VOS EN DE KRAAN.

De lang-gebekte kraan den schalken vos vergasten[91];

De vos, die op de komst van zijn vrundinne pasten,

De spijzen rechtten aan, in 't plat van een platteel[92];

Dies pronkte[93] jufvrouw Kraan, maar Reintjen kreeg zijn deel.

Dit heeft haar tot in 't hert verdroten en gespeten,

Doch heeft zij 't ongemerkt voor suiker opgegeten,

Ter tijd[94] zij om haar leed te wreken was gereed,

En Reinert ook genood haar tafel heeft bekleed;

Maar 's Kranen loosheid heeft hij haastelijk vernomen,

Toen hij 't eng-halzig vat met spijs ter disch zag komen.

De smetsende[95] weerdin spreekt 't looze vosken aan:

"Hoe, Reynaart! eet gij niet, laat gij mijn spijze staan?

Hoe smaakt mijn disch-gerecht?" de vos, die spreekt ten besten[96].

Die met een ander spot, wordt zelf bespot ten lesten

Want wie met andren schempt en houdt zijn spotgeral[97],

Denk' vrijlijk, dat hij weêr beschempet werden zal.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 31 / 258 题