De treffelijkheid en nuttigheid der fabelen, verstandige lezer! is zoo
groot, dat ze met geene woorden kan uitgedrukt noch beschreven worden;
't welk alsins door hem zelven[3] klaar is: want onder de zelven leît
de wijsheid, als onder een schorse, verborgen. Waarover ook de ouden
geoordeeld hebben, dat niemand ze te recht konde verstaan, ten ware
hij met een doorluchtig verstand van God was begaafd. Want Plato, die
onder de Heidenen de Godlijke genaamd wordt, oordeelde dat men van de
eerlijke fabelen behoorde te beginnen: dat ook de voedsters de teêre
en buigzame verstanden met zoodanige lieflijkheid meer behoorden te
koesteren en op te kweeken, als zij hare lichamen gewoon zijn te cieren
en op te pronken. Wie is het niet bekend, dat alle geheimnissen der
ouden hier onder hebben gescholen? want zij gaven daar mede de domme
wereld te verstaan, datter most[4] eenige Gods-dienst zijn, om alzoo de
herten af te schrikken van de ondeugden, en ter wederzijden een spore
of prikkel te geven, de deugden te omhelzen. Dionysius Halicarn. heeft
zeer klaarlijk der fabelen noodwendigheid te kennen gegeven, als hij
zeît: "wie is' er, die niet en zoude meenen, dat der Grieken fabelen
den menschen hoognoodig zijn? eenige zijnder, die de werken der nature
onder zekere verbloemde redenen voorstellen; andere, die der menschen
droefheden en ellendigheden boven maten vertroosten, andere drijven
van haar weg vreeze en allerlei verstoringen des gemoeds, en verjagen
de oneerlijke gedachten; ja, een iegelijk is tot hare bijzondere
nuttigheid gevonden." 't Is ook zeker, dat de fabelen den menschen
aanbrengen een vaste overtuiginge tot scherpzinnigheid en opmerkinge
des verstands, want zoo haast en wordt de fabel niet voorgesteld, of 't
kloeke vernuft let terstond op 't oogmerk. Zoo dat in 't voorstellen en
begrijpen een zonderlinge[5] aardigheid gelegen is.
Daar en is bijna geene zake, die iemand mocht overkomen, of men vindt
daarinne stoffe, 'tzij ter leeringe of ter waarschouwinge voorgesteld:
ja, met zoodanige vermakelijkheid, dat velen geoordeeld hebben, de
vinding der zelve te wezen een lieflijke en verheuglijke confiture van
't menschen leven, en geen kleine vertroostinge onzer zwarigheden,
waartoe die ook (zonder twijfel) vanden[6] ouden zijn bedacht en
gevonden. De edele en treffelijke verstanden scheppen hier uit een
groote nuttigheid en scherpzinnigheid: maar den genen, die slechts bij
haar[7] neuze heenzien, schijnen deze dingen belachelijk, ja, kunnen[8]
niet[9] godlijks daar uit merken en verstaan; gelijk de onverstandigen,
die alleen op de schorse, en niet op de deugd en vruchten des booms
letten: deze zijn den kinderen gelijk, die bij den viere[10] een deel
poëtische kluchten vertellen, en letten niet eenmaal op de heilige en
over-treflijke nuttigheid die daar onder verborgen is.
De oudheid dezer fabelen is zoodanig, dat de tijd daarvan schijnt haar
register verloren te hebben. Zij worden gemeenlijk Aesopo toegeschreven
(hoe wel die ook bij[11] veel andere geleerde mannen verdicht zijn),
omdat zijne harssenen veerdiger en bekwamer waren, waarover hij ook,
als de konstigste meester, daarvan alleene den naam heeft bekomen.
De H. Schrifture wordt van hare Godlijke heiligheid niet ontluisterd,
als wij menschlijker wijze deze fabelen, naar 't zeggen der Ouden,
verheffen; doch elke moet men in haren zin aanmerken: met een ander
geest is deze, met een ander geest is de ander beschreven. De H.
Schrifture voert ons met verscheiden exemplen en aanwijzingen, zoo tot
dieren, vogelen, enz. als tot verbloemde en allegorische manieren van
spreken, die niet als met eenen verlichten geest kunnen verstaan en
begrepen worden, waar in de H. Geest zelve schijnt een vermaken genomen
te hebben. Zoo dat men deze (zoo veel een zedelijk, burgerlijk en
eerlijk leven belangt) niet behoort te verachten en onteeren.
Verzoeken daarom, dat niemand onze vlijt beschuldige, omdat wij deze
Heidensche fabelen uit het boek der vergetenheid wederom voor den
dag brengen, als zijnde genoegzaam van andere gedicht en beschreven,
maar letten inzonderheid op de geest-rijke hand dezes konst-rijken
schilders[12], die zoo aardig en levendig het wezen der dingen heeft
nagebootst, dat de nature zelve schijnt ontluisterd te zijn. Waar over
hij ook eenen onstoffelijken lof bij alle konst-beminders verkregen, en
met den lauren-kroon, naar zijne waardigheid, vereerd is.
Van de dichten, zal aan den verstandigen lezer staan, die zelve naar
zijne beleefdheid te verschoonen en ten besten uit te leggen: maar
van den onverstandigen kan noch Apellis beeld, noch Homeri rijmen,
niet ongelasterd noch ongetadeld[13] blijven. Tot meerder verlichtinge
en verlustinge dezes werks, hebben wij op een ieder fabel gepast en
geëigend een oude historie[14], zoo uit de Latijnsche als Grieksche
schrijvers, om met de nieuwe historiën geene ergenisse of aanstoot te
geven, alzoo dit tot niemands hoon noch smaad, maar alleen tot aller
waarschouwinge geschreven is.
Neemt hiermede onzen arbeid in dank, en verwacht hierna (met des Heeren
hulpe) wat anders.