IV.

Ze waren in een slagregen, een zondvloed, uit al de urnen des hemels

neêrgekletst, teruggekomen, in het Grand-Hôtel, beslikt tot hunne

middels, nat tot op de huid en koud tot op het gebeente. Eve was, na

een warm souper, door papa naar bed verbannen, en zij zaten met hun

drieën, Sir Archibald, Frank en Bertie in het salon, waar nog enkele

gasten, mistroostig over het slechte weêr, zich verveelden met eene

illustratie of een album. De oude heer deed een flinken dut in een

gemakkelijken stoel en Frank keek aandachtig naar de rechte stralen van

den regen, die als een eindeloos gordijn van dikke stalen kralen op het

fjord afkletterden; Bertie nipte aan een warmen grog en bekeek zijne

verlakte muiltjes.

--En heb je me niet gemist op de wandeling? vroeg hij aan Frank, met een

glimlach, om toch de vervelende stilte in het salon te verbreken.

Frank zag hem verwonderd aan, als wakende uit een droom, en oprecht

lachend sprak hij kort:

--Neen....

Bertie bleef hem aanturen; maar hij, hij had den blik reeds afgewend,

verloren in zijne aandacht op het kletteren van den regen en eindelijk

nam Bertie zijn open boek weêr op en poogde te lezen. Maar de letters

liepen dronken voor zijne oogen, en zijne gehoorzenuwen trilden nog

onaangenaam onder den weêrklank van dat enkele korte, verwonderde woord,

dat Frank in de stilte van het vertrek had doen vallen als een plomp

stuk lood; het hinderde hem, dat Frank geen aandacht meer aan hem

wijdde.

Frank bleef uitstaren naar de bergen, nauwlijks zichtbaar achter het

neêrkletsend regengordijn, en hij zag den terugtocht van Moldehoï

opnieuw voor zich: den dalenden weg met hooge, druipende varens, den

slagregen, striemend in hun gelaat als met watergeesels; Eve, omplakt in

haren natten mackintosh, aan zijn arm, zich tegen hem dringend als

zoekend naar bescherming; de oude heer achter hen, voorzichtig met zijn

stok het gladde, mossige pad betastend. Frank had haar zijne eigene

dikke regenjas willen omslaan, maar zij had dit beslist geweigerd: ze

wilde niet, dat hij ziek zoû worden om haar, had ze gezegd, met die

stem, die van verre scheen te komen. En toen, thuis, na zich verkleed te

hebben, hun souper, hun lachen over dien tocht, de angst van Sir

Archibald, dat Eve ziek zoû worden ... Hij herinnerde zich ook nog een

stukje van hun gesprek: zijne vraag, ondanks hemzelven een beetje

verwonderd:

--Heeft u Ibsens Gespenster gelezen: u sprak immers op Moldehoï van

Oswald?

Hijzelf ook kende Gespenster toevallig, hij vond het geen boek voor een

jong meisje en zij had zijne verwondering bemerkt; zij had zeer gebloosd

bij haar antwoord:

--Ja, ik heb het gelezen ... ik lees veel en papa heeft me een beetje

liberaal opgevoed: vind u, dat ik Gespenster niet had mogen lezen?

Zij had er geen kwaad in gezien, misschien had zij niet alles begrepen,

was verder haar eerlijke biecht geweest. Hij had haar niet durven

zeggen, hoe hij vond, dat de kennis van zulk een drama van hereditaire

fiziologie onnoodig was voor een jong meisje; hij had slechts vaag

geantwoord en toen had zij sterker en sterker gebloosd en was zelfs stil

geworden.

--Ze zal me als een schoolmeester hebben gevonden, dacht hij

ontevreden. Waarom mag ze niet lezen wat ze wil: ze heeft mijne

permissie niet noodig voor haar lectuur, ze is ontwikkeld genoeg ... Ze

zal me geweldig pedant hebben gevonden.

--Frank! vroeg Bertie op eens.

--Wat? antwoordde Frank verschrikt.

--We gaan morgen weg van hier, nietwaar?

--Ja, dat was ons plan, ten minste als het weêr beter wordt.

--Hoe heet die barbaarsche plaats, waar we naar toe gaan?

--Veblungsnaes; van daar gaan we door het Romsdal en het Gudbrandsdal.

--En de Rhodes'?

--Ze gaan naar Bergen ...

--Ook morgen?

--Ik weet het niet ...

En hij verzonk weêr in zijn stilzwijgen, terwijl de natgrijze lucht

daarbuiten eene schemering van melancholie naar binnen wierp, terwijl

ook melancholie diep in zijne ziel viel ... Waartoe genegenheid te

koesteren als men scheiden moest na enkele dagen van sympathiek

samenzijn! Het was zoo op reis met lieve reisgenooten; was het ook niet

zoo in het leven met alles wat men liefhad, was het wel de moeite waard

iets lief te hebben en was alle liefde niet éen groot zelfbedrog,

waarmeê men zich verblindde in de walging der wereld ...

Noodlot · 第 17 / 48 题