Ze waren in een slagregen, een zondvloed, uit al de urnen des hemels
neêrgekletst, teruggekomen, in het Grand-Hôtel, beslikt tot hunne
middels, nat tot op de huid en koud tot op het gebeente. Eve was, na
een warm souper, door papa naar bed verbannen, en zij zaten met hun
drieën, Sir Archibald, Frank en Bertie in het salon, waar nog enkele
gasten, mistroostig over het slechte weêr, zich verveelden met eene
illustratie of een album. De oude heer deed een flinken dut in een
gemakkelijken stoel en Frank keek aandachtig naar de rechte stralen van
den regen, die als een eindeloos gordijn van dikke stalen kralen op het
fjord afkletterden; Bertie nipte aan een warmen grog en bekeek zijne
verlakte muiltjes.
--En heb je me niet gemist op de wandeling? vroeg hij aan Frank, met een
glimlach, om toch de vervelende stilte in het salon te verbreken.
Frank zag hem verwonderd aan, als wakende uit een droom, en oprecht
lachend sprak hij kort:
--Neen....
Bertie bleef hem aanturen; maar hij, hij had den blik reeds afgewend,
verloren in zijne aandacht op het kletteren van den regen en eindelijk
nam Bertie zijn open boek weêr op en poogde te lezen. Maar de letters
liepen dronken voor zijne oogen, en zijne gehoorzenuwen trilden nog
onaangenaam onder den weêrklank van dat enkele korte, verwonderde woord,
dat Frank in de stilte van het vertrek had doen vallen als een plomp
stuk lood; het hinderde hem, dat Frank geen aandacht meer aan hem
wijdde.
Frank bleef uitstaren naar de bergen, nauwlijks zichtbaar achter het
neêrkletsend regengordijn, en hij zag den terugtocht van Moldehoï
opnieuw voor zich: den dalenden weg met hooge, druipende varens, den
slagregen, striemend in hun gelaat als met watergeesels; Eve, omplakt in
haren natten mackintosh, aan zijn arm, zich tegen hem dringend als
zoekend naar bescherming; de oude heer achter hen, voorzichtig met zijn
stok het gladde, mossige pad betastend. Frank had haar zijne eigene
dikke regenjas willen omslaan, maar zij had dit beslist geweigerd: ze
wilde niet, dat hij ziek zoû worden om haar, had ze gezegd, met die
stem, die van verre scheen te komen. En toen, thuis, na zich verkleed te
hebben, hun souper, hun lachen over dien tocht, de angst van Sir
Archibald, dat Eve ziek zoû worden ... Hij herinnerde zich ook nog een
stukje van hun gesprek: zijne vraag, ondanks hemzelven een beetje
verwonderd:
--Heeft u Ibsens Gespenster gelezen: u sprak immers op Moldehoï van
Oswald?
Hijzelf ook kende Gespenster toevallig, hij vond het geen boek voor een
jong meisje en zij had zijne verwondering bemerkt; zij had zeer gebloosd
bij haar antwoord:
--Ja, ik heb het gelezen ... ik lees veel en papa heeft me een beetje
liberaal opgevoed: vind u, dat ik Gespenster niet had mogen lezen?
Zij had er geen kwaad in gezien, misschien had zij niet alles begrepen,
was verder haar eerlijke biecht geweest. Hij had haar niet durven
zeggen, hoe hij vond, dat de kennis van zulk een drama van hereditaire
fiziologie onnoodig was voor een jong meisje; hij had slechts vaag
geantwoord en toen had zij sterker en sterker gebloosd en was zelfs stil
geworden.
--Ze zal me als een schoolmeester hebben gevonden, dacht hij
ontevreden. Waarom mag ze niet lezen wat ze wil: ze heeft mijne
permissie niet noodig voor haar lectuur, ze is ontwikkeld genoeg ... Ze
zal me geweldig pedant hebben gevonden.
--Frank! vroeg Bertie op eens.
--Wat? antwoordde Frank verschrikt.
--We gaan morgen weg van hier, nietwaar?
--Ja, dat was ons plan, ten minste als het weêr beter wordt.
--Hoe heet die barbaarsche plaats, waar we naar toe gaan?
--Veblungsnaes; van daar gaan we door het Romsdal en het Gudbrandsdal.
--En de Rhodes'?
--Ze gaan naar Bergen ...
--Ook morgen?
--Ik weet het niet ...
En hij verzonk weêr in zijn stilzwijgen, terwijl de natgrijze lucht
daarbuiten eene schemering van melancholie naar binnen wierp, terwijl
ook melancholie diep in zijne ziel viel ... Waartoe genegenheid te
koesteren als men scheiden moest na enkele dagen van sympathiek
samenzijn! Het was zoo op reis met lieve reisgenooten; was het ook niet
zoo in het leven met alles wat men liefhad, was het wel de moeite waard
iets lief te hebben en was alle liefde niet éen groot zelfbedrog,
waarmeê men zich verblindde in de walging der wereld ...