In denzelfden nacht, dien Raffles doorbracht in de „Blauwe Kroeg” was
mr. Pigott met een van zijn meest vertrouwde bondgenooten, zekeren
Thomas Jackson, naar de woning gegaan van een arme naaister, Mary Grant
geheeten.
Deze had een kind, een knaapje van twee jaren. Zij had een advertentie
in de krant geplaatst, dat zij haar kind gaarne zou willen afstaan aan
kinderlooze echtelieden.
Deze soort advertenties zocht mr. Pigott iederen morgen in de kranten.
Toen zij de woning der naaister binnentraden, zag mr. Pigott met een
enkelen blik den ellendigen toestand der bewoonster.
In een bed, waarover een deken, uit lompen saamgeflanst, lag een
bleeke, hoestende vrouw, waaraan iedereen kon zien, dat zij nog slechts
korten tijd te leven had. Tering sprak uit haar ingevallen
gelaatstrekken en holle oogen.
De kamer was gevuld met armelijk huisraad; ondanks de koude brandde
geen vuur en in een kist, met stroo gevuld, lag een slapend knaapje.
In tegenstelling tot de moeder, straalde dit kind van gezondheid. De
slaap had zijn wangen rood gekleurd en een gelukkig lachje speelde om
den kleinen mond. Blonde lokken omgolfden het liefelijke kindergelaat
en de fijne trekken zouden een kind van aristocratische huize eer
hebben aangedaan.
Pigott bekeek den knaap met onderzoekenden blik.
Moeizaam had de naaister zich in haar bed opgericht en met fluisterende
stem vroeg zij, wat de vreemde heeren verlangden.
Pigott vertrok zijn vet gelaat tot een minzaam lachje. deed zijn
kostbare pels wat open en ging naar het bed der zieke.
„Ik kom op de advertentie”, sprak hij, „is dat het kind, waarvan ge
afstand wenscht te doen?”
De zieke vouwde de handen en fluisterde, nauw hoorbaar:
„Ja!”
Pigott keek nog eens naar het kind en berekende terstond, dat diens
buitengewone schoonheid hem schitterende voordeelen zou kunnen
bezorgen.
„Ge ziet”, begon de moeder, „dat ik niet meer in staat ben om te
werken.
„Ik zelf zou graag honger willen lijden, als het kind maar voedsel had.
Maar ik kan hem niets meer bezorgen en wilde daarom, dat mijn jongen,
voordat ik sterf, in goede handen komt.”
„Dat komt hij”, beweerde Pigott, „ik beloof u, dat ik het kind als mijn
eigen zal groot brengen en daar ik millionnair ben, zal hij eens mijn
heele vermogen erven.”
De zieke zag niet den spottenden lach, die in het halfdonker der kamer
over het gelaat vloog van Thomas Jackson, toen hij deze woorden uit
Pigotts mond hoorde.
Pigott lachte in zijn vuistje.
Hij begreep, dat hij voor weinig geld het knaapje zou kunnen krijgen.
Volgens zijn meening had de moeder niet langer dan nog twee weken te
leven.
„Leeft de vader van het kind nog?” vroeg Pigott.
„O, ja”, hijgde de moeder, „hij leeft nog, maar hij erkent het kind
niet als zijn eigen.
„Als ik dood ben, zult ge de noodige papieren over den vader van mijn
Freddy vinden en misschien gelukt het u, hem de bekentenis af te
dwingen, dat hij de vader is.—Ge zult hem wel kennen!—Ik was bij een
der eerste Londensche families kamenier.”
„Allright,” antwoordde mr. Pigott, „ik zal alles probeeren om hem te
vinden, dat beloof ik u.”
„Ik dank u.”
„En dan heb ik hier een contract meegebracht, waarin staat, dat ik u
tot uw dood een bedrag van tien pond wekelijks zal uitkeeren.”
De zieke sloot de oogen.
„Ik dank den hemel,” fluisterde zij, „dat gij tot mij komt, en hoe
zwaar het mij ook valt te scheiden van het liefste, wat ik bezit, toch
dwingt de nood mij, hiertoe over te gaan, daar mij geen andere keus
blijft!”
Haar oogen vulden zich met tranen en diep bedroefd viel zij op haar
ellendige legerstede neer.
Mr. Pigott haalde een bankbiljet van tien pond te voorschijn en legde
dat in de handen der zieke.
Toen sprak hij tot Jackson:
„Haal de bontdeken uit de auto—wij zullen het kind er in wikkelen en
mee naar huis nemen!”
De moeder richtte zich weer op en riep uit:
„Neen! Neen! Laat mijn kind nog een paar dagen hier! O! Het valt mij
zoo vreeselijk zwaar!”
Jackson ging heen om het bevel van zijn meester op te volgen.
„Houd u kalm, mrs. Grant,” zei de millionnair, „’t is zoo het beste. Ge
zult toch zelf wel inzien, dat de kleine hier niet kan blijven en als
ge weer opknapt, sta ik u toe, uw jongen dikwijls te komen zien.”
De zieke klampte zich vast aan dezen stroohalm. Haar hersens werkten
koortsachtig. Misschien kon zij weer gezond worden en gevoelde zij zich
slechts door wekenlange ontbering zoo afgemat.
„Geef mij Freddy dan nog eens bij mij,” smeekte de ongelukkige.
Mr. Pigott nam den knaap.
Deze keek hem een oogenblik slaapdronken aan met zijn zwarte oogen.
De moeder sloeg den arm om den hals van het kind, klemde het tegen zich
aan en bedekte zijn gezichtje met kussen.
Onverschillig, zonder de minste aandoening, keek de schurk naar dit
roerende afscheid, terwijl hij in stilte vloekte over de weekhartigheid
der vrouwen.
Het kind had zijn armpjes om den hals der moeder geslagen.
„Waarom schrei je, moedertje? Is dat een stoute oom?”
„Neen, neen, kind, dat is een lieve oom, die je voor een tijdje mee
neemt en je mooi speelgoed zal geven.”
„Ook een spoortrein?”
„Ja, ook een spoortrein.”
Jackson kwam binnen met de warme deken. De millionnair spreidde ze op
het bed uit en zei:
„Kom, ventje, dan zal ik je in de warme deken wikkelen en je naar al
het mooie speelgoed brengen.”
De kleine begreep niet, dat hij van zijn moeder moest scheiden en
zonder zich te verzetten, liet hij zich inpakken.
Jackson nam het kind en droeg het de kamer uit. Hij was aan dergelijke
tooneeltjes wel gewend en wist zoo goed als Pigott, dat vlug handelen
het beste middel was.
„Hier hebt ge mijn adres”, zei de millionnair, „en houd u nu kalm, neem
rust en goed voedsel, opdat ge uw kind spoedig kunt terugzien.”
Zonder zich verder te bekommeren om de schreiende vrouw zette hij zijn
hoed op, deed zijn pels dicht en verliet deze plaats der ellende.
Voor het huis wachtte zijn auto.
Jackson was al ingestapt en toen nu ook de millionnair was gaan zitten,
joeg de chauffeur die de derde in het complot was er van door.
In de villa werden zij door het oude wijf ontvangen.
„Wel, hebt ge het kind?” vroeg zij.
„Yes”, lachte de dikke en hij gaf haar het knaapje. „Ik denk, dat je
met dit exemplaar uitstekende zaakjes zult maken. Is er nog iets
gebeurd?”
„Mr. Thomson heeft getelephoneerd. Hij komt morgen vroeg hier met een
klant.”
„Het wordt tijd”, antwoordde Pigott, „die vervloekte Raffles heeft al
mijn geld gestolen.”
Dit gesprek werd gevoerd in de vestibule en het kind, dat beefde in
zijn dunne kieltje, wilde nu Pigott volgen naar de eetkamer.
Het wijf lachte ruw en pakte het knaapje bij den arm.
„Daar heb je niets te maken! Ga mee! Ik heb voor jou een extra mooien
salon.—Wat zullen we met hem doen?”
„Daarover zullen we morgen wel eens praten. Berg hem voorloopig maar
op.”
Het wijf greep het kind bij zijn armpje en de knaap, die stelselmatig
voelde, dat het booze wijf niets goeds met hem voor had, begon te
huilen.
„Vervloekte aap!” schold de vrouw, „leelijke kleine aap. Hou je bek! Ik
zal je wijzen, hoe ik je klein krijg!”
Zij greep het kind bij zijn blonde haren en sleurde hem de keldertrap
af.
Te vergeefs riep het kind om zijn moeder. Niemand behalve mr. Pigott en
zijn medeplichtigen, die aan de welvoorziene tafel hadden plaats
genomen, hoorde de jammerklacht.
Het wijf was intusschen met het kind beneden aangeland; daar had zij
een hok met vuil, stinkend stroo opengedaan en de kleine erin geduwd.
De deur werd stevig gegrendeld en de boosdoenster ging naar boven om
mee te smullen.
Jammerend riep de kleine gevangene om zijn moeder en in den donkeren,
kouden kelder hurkte hij neer, totdat hij, doodelijk vermoeid van het
schreien, insliep. — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Het was omstreeks tien uur in den morgen, toen Thomson, de eigenaar van
de „Blauwe Kroeg”, met John Raffles de villa van Pigott binnentrad.
Een half uur later verscheen de millionnair, die den heelen nacht had
gedronken.
Thomson deelde het doel van de komst mee.
„Ja, ik heb een kind van zijn moeder gekocht”, zei Pigott, „maar het
geeft mij hier in huis te veel drukte. Ik kan als vrijgezel geen
kinderen gebruiken en ik ben blij, dat ge mij er weer af wilt helpen.
„Gaat maar mee naar beneden, heeren, om het kind te zien. Ik heb het in
den kelder moeten opsluiten, omdat ik zijn geschreeuw niet kon
verdragen.”
Hij schelde en het oude wijf verscheen.
„Wij willen naar beneden. Mr. Thomson wil den blaag meenemen, maar
eerst moet ge mij honderd pond sterling betalen.”
„Natuurlijk, hier is het geld!”
Hij haalde een stapeltje banknoten voor den dag en gaf ze Pigott.
Deze nam het geld en zei toen:
„Komt nu mee!”
Alsof hij moeizaam voorthinkte volgde Raffles.
Het wijf had intusschen de koopwaar, een ellendig verminkt meisje van
nog geen twee jaren, uit een hok gehaald. Het kind kon slechts een
heesch geluid voortbrengen. Haar oogen waren met pleisters bedekt, daar
zij volgens den millionnair door een oogziekte blind was geworden.
Raffles kromp het hart in een, toen hij dat rampzalige wezentje zag,
maar tegelijkertijd keek hij scherp rond om de omgeving nauwkeurig op
te nemen. Van achter een houten beschot hoorde hij duidelijk het huilen
en kermen van kinderen.
„Staat het wurm je aan?” vroeg Thomson, „nou, heb ik je teveel gezegd?”
Raffles deed, alsof hij het kind onderzoekend bekeek.
Daar hoorde hij plotseling een kinderstem, die uitriep:
„Moedertje lief, goed moedertje, help toch!”
Deze woorden deden lord Lister alle koelbloedigheid verliezen.
Met één sprong was hij bij de deur, schoof den grendel weg, zag een
knaap met blond haar, greep hem, nam hem op den arm en onder den
uitroep: „Dezen wil ik koopen!” vloog hij naar de trap.
Dit alles geschiedde zoo bliksemsnel, dat noch Pigott noch Thomson iets
konden doen om Raffles deze handeling te beletten.
Reeds was de Groote Onbekende op de trap, toen de stem van Pigott
klonk:
„Pakt den schurk!”
Maar het was te laat.
John Raffles, die het huis kende, was door de eetkamer naar de veranda
gevlogen en toen in het park gesprongen.
Hij rende door de paden, sprong over het hek en kwam in den tuin van
zijn eigen villa.
Hijgende stormde hij de kamer binnen, waar Charly Brand verschrikt was
opgesprongen en voor dezen legde hij het kind op het tapijt neer.
De kleine Freddy schreeuwde, alsof hij aan het spit werd gebraden.
Lord Lister stond op uit den stoel, waarin hij was neergevallen en zei:
„Ik heb geen tijd te verliezen, Charly, zorg goed voor den knaap, ik
moet weer weg.”
Hij ging zijn kleedkamer binnen en eenige oogenblikken later kwam hij
er, als heer gekleed, weer uit.
Charly had intusschen het kind in een warme deken gewikkeld en bij het
vuur gelegd, terwijl een dienaar melk en koek bracht.
Lord Lister trad even naar den knaap toe en streelde hem het blonde
haar:
„Nu wordt alles goed, ventje en ik geloof, dat wij goede vrienden
zullen worden. Hoe heet je?”
„Freddy”, stamelde het kind.
In hetzelfde oogenblik hoorde Raffles het geroep van mannenstemmen in
het park van zijn villa.
„Dat zullen mijn vervolgers zijn”, sprak hij, „ik geloof, dat ze over
den muur zijn geklommen.”
Hij deed de balkondeuren open en zag op eenige meters afstand Pigott en
Jackson.
„Wat wilt ge?” vroeg Lister.
Verschrikt keken de heeren naar den aristocratischen heer, die daar in
rokcostuum stond en hen door zijn monocle scherp aankeek.
Pigott antwoordde:
„Wij zoeken een inbreker!”
„Ga dadelijk van mijn grondgebied en laat de politie voor u naar
inbrekers zoeken!”
Pigott en Jackson wisten met hun houding geen raad. Zij aarzelden nog
een oogenblik en verlieten toen vloekend het park.
„Ellendige schurken!” mompelde Raffles, „wacht maar, ik zal jullie
krijgen!”
Hij ging weer de kleedkamer binnen en trok een lange overjas aan. In
plaats van den hoogen zette hij een ronden, zwarten hoed op.
Hij sprak met Charly Brand nog een en ander betreffende den knaap en
verliet toen het huis.