IN DE DIEVENKROEG.

In een der vele nauwe en donkere straten van Whitechapel rijen zich de

kroegjes nauw aaneen.

Daarin leeft het uitvaagsel der groote stad.

In lompen gehuld, verminkt en afzichtelijk van ellende, staan of zitten

de rampzaligen daar bij elkander in de ruimten, waar tabakswalm en

brandewijnlucht de atmosfeer verpesten.

Een van deze kroegjes trad Raffles binnen en vroeg den waard met een

stem, die door het overmatig gebruik van brandewijn heesch was

geworden, een glas jenever.

Vol argwaan keek de waard naar den vreemden gast, zette de jenever voor

hem neer, maar hield het glas zoo lang vast, totdat Raffles een penny

voor den drank had betaald.

Het duurde een heelen tijd, voordat John Raffles uit een viezen, vuilen

zak het geldstuk had opgediept.

Dit zoeken naar den penny maakte den kroeghouder, die in den bezoeker

een politiespion zag, minder achterdochtig.

Hij wist niet, dat John Raffles in staat was, zijn rol tot in de

kleinste bijzonderheden vol te houden.

Eindelijk had de Groote Onbekende het geldstuk te pakken en gaf het den

waard. Hij maakte daarbij een gebaar, alsof hij den man een heel

kapitaal overhandigde voor het glas brandewijn.

Daarna sloeg hij den allergemeensten jenever door het keelgat en bleef

voor de toonbank staan, alsof hij het nog niet met zichzelve eens was,

of hij nog een penny voor een tweede glas zou betalen.

De waard, die hem scherp aankeek, zei:

„Die jenever is best. Als je nog meer geld hebt, kun je hier zooveel

drinken, tot je den weg niet meer uit de kroeg vindt”.

Raffles, die met gulzige oogen naar het glaasje keek, mompelde een paar

onverstaanbare woorden en begon opnieuw naar een penny in zijn zakken

te zoeken.

Maar hij scheen tevergeefs te zoeken, want met een hartgrondigen vloek

hoorde de waard hem zeggen:

„’k Heb waarachtig niet eens meer wat voor een spatje”.

„Je schijnt je beroep ook niet al te goed te verstaan. Je moest over

een heel kapitaal kunnen beschikken. Ik ken bedelaars, die eigen huizen

hebben, maar jij schijnt nog te groen te zijn.”

„Yes, yes!” antwoordde John Raffles, „ik kom van New-York en ben pas

sinds vier dagen in Londen. Er valt hier ook een bedroefd beetje te

verdienen”.

„Kom je van New-York? Waarvan heb je dan den overtocht betaald?”

„’k Had zooveel gespaard”.

„Zoo? Heb je nog meer geld?”

„Waarom?”

„Dan zal ik je een raad geven, hoe je elken dag twee pond kunt

verdienen.”

„Maak dat een ander wijs! Voor zoo’n raad wil ik je graag 500 dollar

betalen!”

„Dat geloof ik!”

„Maar misschien kun je mij een anderen raad geven.”

„En dat is?”

„Ik wil je graag wat laten verdienen, maar ik kan het je hier niet

zeggen. Je klanten kijken te veel naar ons.”

„Ik ben nieuwsgierig om te vernemen, wat je op het hart hebt. Kom maar

achter de toonbank.”

De waard, een groote vierkante kerel, deed een klein deurtje open en

liet den schooier binnen in een klein donker vertrekje, achter de kroeg

gelegen. De man stak een walmende petroleumlamp aan.

Hier scheen de slaapkamer te zijn van den kroegjesbaas.

„Maak het kort”, sprak hij, „ik kan mijn klanten niet lang alleen

laten. Ze zouden mij binnen een paar minuten allen brandewijn hebben

leeggedronken, zonder dat ik er een penny betaling voor had gekregen”.

Lord Lister keek eens schuw om zich heen, of niemand luisteren kon en

keek ook eens onder het bed.

„Geen nood”, zeide de waard, „hier is niemand, vertel maar op, zoeken

de hondenvangers van Scotland Yard je misschien? Als je geld hebt, wil

ik je verbergen”.

„Neen, kerel, maar sinds ik in Londen ben, heb ik geen warme hap

gegeten en ik smacht naar een stuk gebraden vleesch. Hoe kom ik eraan?”

„Niet door mij, kale jakhals! Of dacht je soms, dat ik je op lekkere

beetjes zou trakteeren? Steel het en vreet het op, als je ’t hebt, dat

is mijn raad”.

„Dat behoef ik niet te doen. Ik heb—ik heb—” hij hield op en keek weer

om zich heen.

„Voor den duivel! Wat heb je?”

„Ik heb geld. Maar ik kan het niet uitgeven”.

„Je hebt gestolen papieren, die ik voor je moet bewaren? Denk er aan,

dat de helft voor mij is”.

„Ik heb geen gestolen geld, maar toen ik van New-York vertrok, haalde

ik mijn spaarduiten van de Bank en die betaalde ze mij uit in hooge

banknoten. Nu weet ik niet, waar ik die papieren zal wisselen. Je wordt

daarbij zoo gauw ingepakt, want geen sterveling gelooft, dat het

eerlijk verdiend geld is”.

„Hoe groot is de banknoot?”

„Tien dollar”.

„Tien dollar? En noem je dat hoog? Mijn klanten wisselen wel eens

biljetten van honderd pond.”

„Zoover heb ik het nog niet gebracht”, sprak Raffles, en hij begon zijn

gelapte jas los te knoopen, „maar misschien komt het nog een zoover met

mij. Wacht even! Ik moet het geld onder mijn hemd vandaan halen”.

Verscheiden seconden verliepen, voordat Raffles een groot pak

bankbiljetten te voorschijn haalde, dat met een lang eind garen was

saamgebonden en waaruit hij een biljet haalde van tien dollar.

Zonder dat de kroeghouder het bemerkte, sloeg de Groote Onbekende den

waard aandachtig gade en hij zag, dat diens oogen van hebzucht

fonkelden.

„Ik zie, dat je meer hebt, dan ik dacht”, zei de kroegjesbaas. „Je bent

een ezel, dat je het niet gebruikt voor een zaakje, waardoor je

kapitaal in een paar weken verdubbelt.”

„Ik moet je eerst eens beter leeren kennen, voordat ik daarop inga”,

antwoordde Raffles ontwijkend.

„Mij leeren kennen? Mij?” stoof de herbergier op, „vraag het ieder,

dien je wilt, of ik geen doodeerlijke kerel ben? Je kunt me gerust

vertrouwen, en ik zal je het biljet van tien dollars wisselen. Een

vierde gedeelte daarvan is voor mij!”

„Allright!” zei Raffles, „geef op het geld, want ik heb een vervloekten

honger en wil vannacht eens ergens anders slapen dan onder den blooten

hemel”.

„Slapen kun je hier. Ik heb voor mijn klanten altijd nog een plaatsje.

Je kunt al je ongedierte gratis warmen”.

De waard ging naar een kast en haalde er een leeren zak met geld uit.

Voorzichtig telde hij daaruit de som van een pond en zes shilling in

kleine geldstukjes en legde die voor Raffles op tafel neer.

„Geef op je biljet van tien dollar”, zei nu de herbergier, „maar raak

het geld niet aan, vóórdat ik er mij van overtuigd heb, dat je mij geen

valsch biljet in de hand hebt gestopt”.

John Raffles gaf het gevraagde en de waard hield het biljet tegen het

licht.

„In orde!” zei hij toen, „strijk je geld maar op”.

Nu nam de Groote Onbekende de geldstukken op, die hij een voor een op

de tafel gooide om te onderzoeken, of ze wel echt waren.

„Mijn geld is goed”, zei de waard, die dit niet aanstond.

Raffles echter nam vier shillingstukken en trok daarmee een zwarten

streep op een stuk krantenpapier.

„Wat bedoel je?” vroeg de waard.

„Dat is lood!”

„Onzin! Je kunt het best uitgeven. Hadt je maar een paar duizend van

die dingetjes? Een van mijn klanten verkoopt je voor één pond vijf pond

van die dingetjes. Betere zaken kun je toch moeilijk maken”.

Raffles stak het geld in den zak.

Voordat het tweetal de kamer uitging, zeide de herbergier nog eens:

„Wees niet gek en steek je geld in een zaak die ik je wil aanraden. ’t

Is eerlijke winst”.

„Ik zal er eens over nadenken”, antwoordde Raffles, en verliet de

kamer. Toen dronk hij nog een glas jenever en verliet de kroeg.

Op straat haalde hij verruimd adem in de buitenlucht, al was deze ook

in dit stadsgedeelte nog met allerlei onfrissche geuren bezwangerd.

Het was hem, alsof hij uit een varkensstal kwam. Maar toch had het

toeval hem niet in deze kroeg gebracht.

In het boek, dat hij Pigott had ontstolen, stond de naam „Blue inn”

(Blauwe kroeg) verscheiden keeren opgeteekend. Hij veronderstelde

daarom, dat de herbergier in nauwe relatie stond met den millionnair.

Bijna den ganschen dag had hij naar de kroeg gezocht.

Waar hij maar een bedelaar zag, had hij kennis met deze gemaakt en

verteld, dat een vriend hem in de Blauwe kroeg wilde spreken, maar dat

hij niet wist, waar deze was.

Op de Waterloo-brug had hij een kreupele ontmoet, die een afzichtelijk,

meelijwekkend kind droeg. Dat kind was blind en had geen voeten.

Raffles zag dat bijna iedere voorbijganger een geldstuk legde op het

tinnen bordje, dat dit allerrampzaligste schepseltje in haar handjes

vooruitstak.

De Groote Onbekende zag ook dat de kreupele, op wiens schoot het kind

zat, het geld terstond bij zich stak. Van dezen man kreeg John Raffles

het adres van de blauwe kroeg.

Toen hij het verminkte kind en den bedelaar wat langer bekeek werd hem

plotseling het geheim van mr. Pigott helder.

Deze schurk, aldus redeneerde lord Lister, liet kinderen verminken en

verhuurde of verkocht ze dan aan een bedelaar voor een zekere som

gelds.

Raffles kromp ineen, als hij bedacht, hoeveel misdaden, aan de

onschuldige wezentjes begaan, Pigott wel niet op zijn geweten moest

hebben.

Hij moest nu alleen nog maar het overtuigend bewijs van Pigotts

misdaden hebben en, zoo mogelijk, zoo’n verminkt kind van hem koopen.

Dat hoopte hij in de „Blauwe kroeg” te kunnen doen. Hij ging daarom nog

eens naar de kroeg terug om elf uur des avonds, toen allerlei kerels en

wijven, zelfs kinderen er rond krioelden.

Meisjes en jongens van zeven, acht jaren dronken op tegen volwassenen

en sloegen de liederlijkste taal uit.

Toen de waard zijn klant van dien middag zag, vroeg hij:

„Wel, heb je nog wat gegeten?”

„Yes”, antwoordde Raffles, „ik heb het er eens van genomen, hoewel ik

den heelen dag maar twee penny heb opgehaald.

„Hier in Londen ligt het geld ook al niet op de keien.”

„Je bent een ongeluksvogel”, antwoordde de herbergier, „maar ik heb je

toch geraden om op mijn voorstel in te gaan. Dan kun je geld verdienen,

zooveel als je maar wilt.”

De herbergier zag duidelijk dat John Raffles hem achterdochtig aankeek.

De Groote Onbekende dronk zwijgend het glas jenever uit, dat voor hem

stond en waarvoor de herbergier nu niet weer terstond het geldstuk

verlangde. Hij vertrouwde Raffles nu.

Lord Lister dronk verscheidene glaasjes leeg en ook de waard liet zich

niet onbetuigd. De krijtstreepjes zette hij alle voor Raffles op de

tafel neer.

Toen beiden een dozijn gedronken hadden, legde Raffles twee shilling op

tafel. Daarvan was de eene valsch.

„Ik krijg nog zes pence van je,” zei de waard, „dien shilling neem ik

voor de helft, omdat je een klant bent.”

Raffles legde het gevraagde neer met een handbeweging, alsof hij

dronken was.

Daarbij mompelde hij eenige onverstaanbare woorden en de waard achtte

nu den tijd gekomen om Raffles den voorslag te doen voor het zaakje.

„Ga mee naar mijn kantoor”, zei hij.

Met ietwat zwaaiende gang volgde lord Lister hem achter de toonbank en

ging de slaapkamer van den waard binnen, die hem een stoel bood, de

lamp opstak en tegenover zijn klant ging zitten.

„Kijk eens, vriend,” begon de herbergier, „kijk eens, ik heb gezien,

dat je genoeg geld bij je hebt om een winstgevend baantje te kunnen

opzetten.”

„Ik— —ik— —ik heb— —geen geld”, stotterde de Groote Onbekende.

„Je bent dronken, my boy”, antwoordde de ander, „ik heb je zelf nog een

bankbiljet gewisseld. Heb je dat nou al vergeten met je brandewijn-kop”

„Kijk nou ereis”, vervolgde hij, „ik ken een vrouw, die heel veel

ongeluk in haar leven heeft gehad. In haar jeugd is ze naar New-York

ontvoerd. Toen is ze naar Londen gegaan en nu leeft ze hier in

Whitechapel. Deze vrouw heeft een kind—wel, waarom zou ze geen kind

hebben, en dat wurm werd verminkt geboren. De vrouw heeft dat kind

verkocht aan een millionnair, die voor menschlievend wil doorgaan en

deze wil er nu graag weer af.”

Als begreep hij de zaak niet goed, staarde Raffles met een onnoozel

gelaat den man aan.

„Wat— —wat moet ik— —met een kind!— —Ik— —ik ben blij— —dat ik geen

heb!”

„Idioot”, brulde de ander, „dank den hemel, dat je dit kind kunt

koopen. Je kunt er geld mee verdienen— —als water— —Begrijp je dan

niet, wat ik bedoel?”

John Raffles leek zoo dronken, dat hij den man niet meer begreep.

„Ik zal het je uitleggen,” zei de waard, „het kind is totaal verminkt

Ik geloof, dat het geen armen, geen beenen en geen oogen heeft. Het kan

hooren noch spreken.”

„Het ontbreekt er nog maar aan, dat het geen hoofd heeft ook,” dacht

Raffles.

„Goed, goed!” zei hij echter overluid, „maar dat is vreeselijk!”

De waard lachte met ruw geluid en antwoordde:

„Vreeselijk? Een zaakje is het, beste kerel, een uitstekend zaakje en

ik verzeker je, dat, als ik niet zooveel verdiende, dan ging ik met dat

misbaksel de straat op. En ik verwed tien pond tegen een shilling, dat

ik twee pond per dag zou verdienen.”

„Ja— —ja— —” lachte Raffles, „twee pond sterling verdienen.

Jij—jij—hebt gelijk. Hoe— —hoeveel kost dat kind?”

„Hoeveel geld heb je? Ik raad je aan, verstandig te zijn, want de blaag

is niet goedkoop!”

Raffles scheen na te denken.

Toen hakkelde hij:

„Ik—ik—ik heb— —340 dollar bij mij!”

„340 dollar?”

„Ja.”

„Niets meer?”

„Neen—neen!”

„Zeg, lieg je niet?”

„Waarachtig niet!”

„Dan heb je niet genoeg! Maar ik zal je een voorstel doen. Je betaalt

340 dollar en dan betaal je verder elken dag 10 shilling af. Onder 200

pond krijg je het kreng toch niet.”

„Tweehonderd pond?” bromde Raffles en het scheen, alsof hij langzaam

ontwaakte uit de brandewijnroes.

„Ja. Vooruit, doe het maar. Ik leen je het wurm op afbetaling. Als je

niet betaalt, neem ik je het kind weer af.”

De waard ging naar een kast en haalde er een vieze portefeuille uit.

Toen nam hij papier, pen en inkt en schreef daar iets op, dat hij zijn

klant voorlegde en beval:

„Onderteeken!”

„Ik moet het toch eerst lezen”, zeide de Groote Onbekende met dubbele

tong. En langzaam ontcijferde hij:

„Ik, de eerste onderteekenaar, huur hierbij van mister Thomson,

Milton Street 16, het hem toebehoorende kind tot een huurprijs van

10 shilling, totdat de koopsom van 200 pond is afbetaald.

Als ik een dag in gebreke blijf, den huurprijs te betalen, verlies

ik alle recht op het bezit van het kind.”

De Groote Onbekende las de overeenkomst nog eens en vroeg toen:

„Wat—wat—is—dat dan—voor een kind?”

„Vervloekt!” brulde de waard, „een verminkt kind!”

„Ik—ik—ik bedoel—een jongen of een meisje?”

„Dat weet ik niet, kerel! Maar dat komt er toch ook heelemaal niet op

aan! Het is hoogstens twee jaren. Als je ’t hebben wilt, moet je nu

toehappen, want morgen vroeg verwacht ik andere klanten!”

Raffles scheen nog eens na te denken en nogmaals moedigde de herbergier

hem aan met al de overredingskracht, waarover hij beschikte.

Eindelijk dan toch haalde Raffles het geld te voorschijn, teekende het

papier en zei:

„Hier hebt ge het geld, mr. Thomson, maar dit papier behoud ik, totdat

ik het kind heb.”

„Dat kun je,” zei de waard, „morgen zullen we het gaan halen.”

John Raffles betaalde hem het geld en liet zich daarvoor door mr.

Thomson een kwitantie geven. Toen stak hij een en ander in den zak en

verliet met den waard diens kantoor.

Deze wees Raffles in een hoek een slaapplaats aan en in de walgelijkste

omgeving legde de Groote Onbekende zich ter ruste.

Lord Lister No. 0018: Het geheim van de verminkte kinderen · 第 11 / 19 题