DE MISLUKTE INBRAAK.

„Ik zou wel eens willen weten,” zei lord Lister tegen zijn vriend

Charly Brand, „waar de millioenen van den heer Pigott vandaan komen. Ik

herinner mij niet, dat de man ooit de een of andere zaak heeft

gedreven. Ook hoorde ik nooit, dat hij uit Indië of Afrika een rijke

erfenis heeft gekregen. Hij komt niet aan de Beurs, is ongetrouwd en

heeft in de tien jaren, dat ik hem ken, niets anders uitgevoerd dan

goed te eten, te drinken en te wonen. De een of andere sport of andere

bezigheid, waarmee hij z’n tijd doodt, kent hij niet. Ik moet dat

geheim toch zien te doorgronden.”

Lord Lister zat, terwijl hij deze woorden sprak, in een makkelijken

fauteuil voor den schoorsteen van zijn huis in Londen.

In deze woning bracht John Raffles, de Groote Onbekende, zijn vacantie

door. Hij had het huis gestoffeerd met allerlei kunstschatten uit vele

landen en er was wellicht geen tweede persoon te vinden, wiens woning

zoo weelderig was ingericht als die van lord Lister.

De vensters aan den voorkant der straat van Regent-Park waren dicht

gesloten en alleen het gedeelte waar onder in het gebouw de oude

vertrouwde bediende woonde, toonde aan, dat het huis bewoond was.

Aan den achterkant lag een klein, keurig aangelegd park en hier waren

alle vensters geopend om de milde winterlucht te laten binnenkomen. Van

af het balkon kon Raffles de villa van Pigott zien; het huis schemerde

ter linkerzijde door de boomen.

Charly Brand, de secretaris van lord Lister, had zijn lectuur gestaakt

en opmerkzaam geluisterd naar wat hem zijn vriend en meester vertelde.

Hij keek eens naar het huis en antwoordde:

„Ik geloof, Edward, dat de meeste menschen, die hier in Regent-Park in

vorstelijke woningen huizen, hun vermogen op vreemde wijze verworven

hebben.”

„Ongetwijfeld,” antwoordde Raffles. „Maar deze Pigott boezemt mij

bijzonder veel belang in; ik zal hem daarom eens een bezoek gaan

brengen, want ik kan mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen, ’t Is

nu vijf uur, we zullen nog een uurtje wachten, en zoodra het heelemaal

donker is, eens de woning van den millionnair wat nader gaan

beschouwen.”

Het liep tegen zeven uur, toen Raffles op weg toog met Charly Brand.

Beiden waren hoogst eenvoudig gekleed, terwijl ze hun gelaat vermomd

hadden. Zonder de minste moeite sprongen ze over het hek, dat het

grondgebied van Pigott scheidde van dat van Raffles.

Ook de villa van Pigott lag in een parkachtig aangelegden tuin, die

echter dubbel zoo groot was als de tuin van Raffles. Voorzichtig slopen

zij door de bosschages, terwijl de Groote Onbekende naar alle kanten

loerde. Een breede trap leidde uit het park naar een groote veranda,

die gedeeltelijk door een marquise gesloten was. Daardoor kon John

Raffles niet zien of er zich iemand in de serre bevond. Een oogenblik

bleef het tweetal staan, en dat was heel verstandig, want een bediende

kwam de serre binnen en zette een schemerlamp met rose zijden kap op

een tafeltje neer, waarna hij weer heenging. Uit het huis weerklonken

stemmen, doch niemand verscheen.

Bijna twee uur lagen Raffles en Charly Brand op de loer, totdat de

bediende weer kwam en de lamp meenam. Ergens in de buurt sloeg een klok

tien uur en de villa was nu in volledige duisternis gehuld.

„Vooruit,” fluisterde John Raffles, „laat ons nu de veranda

binnensluipen.”

Als katten kropen zij de trap op. Daar stiet Charly Brand tegen een

tafeltje, waardoor eenig gedruisch ontstond. Lord Lister bleef een

oogenblik onbeweeglijk staan en stiet fluisterend een vloek uit, toen

plotseling door iemand het electrische licht in de veranda werd

opgedraaid en drie mannen met revolvers in de hand op den secretaris

toesprongen.

De Groote Onbekende overzag oogenblikkelijk den geheelen toestand. Hij

stond in een vensternis van de veranda, waar de mannen hem niet

dadelijk ontdekken konden.

„Vervloekte schelm!” schreeuwde Pigott, terwijl hij den indringer een

revolver onder den neus duwde, „ik heb je al beloerd, toen je twee uur

geleden mijn park bent binnengeslopen. Je kunt mij niet voor den gek

houden. Knevelt hem en roept de politie. Doe hem ook het masker voor

het gezicht weg.”

Charly Brand weerde zich als een wanhopige, maar het hielp hem niets.

Tien minuten later was hij stevig gebonden.

„Waar is je medeplichtige? Spreek op, jullie waart toch met je beiden?”

Charly beet zich op de lippen.

„Legt de schurk ergens in een hoek neer en laat ons dadelijk zijn maat

opzoeken, misschien vinden we hem nog,” riep Pigott vol ijver uit, toen

Charly hem niet antwoordde. „Wacht maar, kereltje, jou zal de lust wel

vergaan om hier nog eens in te breken. Brengt hem in huis.”

De beide bedienden deden, wat hun bevolen werd en sleurden Charly, die

zich opnieuw verdedigde, het huis binnen.

De millionnair vond er bij deze gelegenheid het grootste genoegen in om

den weerlooze onophoudelijk in den rug te stompen. Charly werd naar de

studeerkamer gebracht en daar op het tapijt neergelegd, terwijl Pigott

opnieuw beval een politieagent te halen.

In hetzelfde oogenblik hoorde Charly Brand plotseling een zonderling

geluid. Hij lag met het rechteroor dicht op het tapijt en daardoor

drongen wonderlijke klanken tot hem door. Het was, alsof kleine

kinderen, die erge pijn hadden, schreiden. De secretaris spande zich in

om goed te kunnen hooren. Hij vergat geheel en al zijn hachelijke

positie en deed alle moeite om te vernemen, waar de geluiden vandaan

kwamen.

Eerst dacht hij, dat het katten of honden waren, maar toen hoorde hij

door het tapijt heen de heesche stem van een vrouw, die met een vloed

van scheldwoorden het schreien overstemde.

„Ellendige schooiers, leelijke schreeuwbek, miserabele kattekop!”

Charly Brand dacht eerst, dat de kinderen van den millionnair zoo

schreiden, maar dat was onmogelijk.

Terwijl de secretaris over het geheim nadacht, was een der bedienden

voor het huis gegaan, waar hij een surveilleerenden politie-agent

aanriep om een in huis verborgen inbreker te arresteeren. Toen de

politieagent binnentrad, kwam Pigott hem reeds tegemoet en zei, op

Charly Brand wijzend:

„Die man daar wilde Raffles nadoen, maar wij hebben het hem belet.

Neemt hem mee naar Scotland Yard, opdat hij daar zijn rechtmatige straf

zal ondergaan.”

„Allright,” antwoordde de politiedienaar, die op Brand toetrad en hem

een duw in de ribben gaf.

„Sta op!” beval hij, „ik zal je een armbandje omdoen, want van zoo’n

schat als jij bent moet men zich goed verzekeren.”

Hij haalde een paar boeien te voorschijn en sloot ze om Charly’s

polsen.

„Ja, ja,” lachte Pigott en hij duwde den secretaris een diamanten ring

onder den neus, „kan ik je misschien ook met zoo’n steentje dienen?”

„Vooruit!” beval de agent en stiet den geboeide voor zich uit, waarmee

hij het huis verliet.

Het was intusschen nacht geworden, maar de geboeide bemerkte toch, dat

de agent hem niet stadwaarts, maar naar den kant van het park leidde.

En nog meer verbaasde hij zich, toen de agent voor het huis van John

Raffles bleef staan, haastig omkeek, naar beide kanten, een sleutel te

voorschijn haalde, de deur opende en Brand naar binnen duwde. Hij zelf

trad nu ook binnen en sloot de deur achter zich.

Charly Brand wist niet, wat hij van deze geschiedenis moest zeggen.

Zijn verbazing steeg nog meer, toen de agent naar de studeerkamer van

zijn vriend ging en dit helder verlichte vertrek opende.

In hetzelfde oogenblik hoorde Charly de lachende stem van Lister, die

uitriep:

„Well, my boy, kom eens hier en steek een sigaret op. Als ik je eerst

de boeien heb afgenomen.”

Charly keek verbaasd op, toen die woorden door den agent werden

uitgesproken, die nu behendig de boeien losmaakte en daarna in den

fauteuil voor den schoorsteenmantel ging zitten, waar hij een paar uur

geleden het plan had geopperd om een bezoek te brengen aan het huis van

den millionnair Pigott.

„Dat was een aardig uitstapje,” zei hij, een sigaret opstekend, „over

een half uur zal ik het nog eens probeeren.”

„Ik bedank er voor,” antwoordde zijn vriend, „ik ben blij, dat ik er

met een paar blauwe plekken ben afgekomen. Zou je je valschen baard nu

niet afnemen, Edward?”

„Natuurlijk,” antwoordde Raffles, „dat had ik bijna vergeten.”

Hij deed den baard af en had nu weer het gladgeschoren gelaat met den

spottend lachenden trek om den mond.

„Ik waande mij al verloren, Edward. Hoe heb je mij zoo gauw kunnen

verlossen?”

„Heel eenvoudig. Tijdens de worsteling tusschen jou en je aanvallers

lette niemand op mij en ik kon ongemerkt ontkomen. Ik hoorde, dat

Pigott om een politie-agent riep en toen was het voor mij makkelijk

werk. In een paar minuten was ik hier, verkleedde mij als politie-agent

en wandelde zoolang voor het huis van Pigott heen en weer, dat de

knecht mij in huis riep om je te arresteeren.

„Nu ben ik van plan, dien Pigott nog eens te bezoeken. Die kerel is

ongetwijfeld een schurk.”

„Waarom denk je dat?”

„Heel eenvoudig! Die beide bedienden van Pigott zien er, ondanks hun

prachtige livrei, als een paar echte galgenvogels uit. Dat zijn zeker

een paar handlangers, die hun opleiding in Whitechapel ontvangen hebben

en ik durf wedden, dat ze minstens tien keer de strop verdiend hebben.—

— —Ik moest me al heel erg in dat tuig vergissen, als het geen

spitsboeven zijn, waarvan ik een even groote vijand ben als inspecteur

Baxter van Scotland Yard.”

„Je kunt wel gelijk hebben,” antwoordde Charly, „ook mij is iets

bijzonders opgevallen. Toen ik op het tapijt lag in Pigott’s

studeerkamer, hoorde ik uit een vertrek onder mij duidelijk het

schreien van kinderen en een vrouwenstem, die de kleinen met de

gemeenste vloeken tot kalmte trachtte te brengen.”

John Raffles boog zich over naar Charly en zijn oogen schoten vonken.

„Vertel mij nog eens, wat je gehoord hebt,” zei hij.

Charly deed het en toen hij had uitgesproken, sprong John Raffles

vertoornd op.

„Zoo’n schurk!” riep hij uit, „ik vermoedde, dat er in het huis van mr.

Pigott voor mij wel een en ander te doen was. Dezen nacht nog zal ik

mij zekerheid verschaffen.”

Hij ging nu naar een deur, die achter een portière verborgen was en die

slechts voor ingewijden was te bereiken. In een kamer daarachter hingen

wel honderd kostuums en voor een grooten spiegel stonden vele doozen

met alle soorten schmink; daarnaast lagen op een marmeren plaat

allerlei pruiken en baarden. Het vertrek zag er uit als de kleedkamer

van een acteur.

John Raffles deed de uniform uit en nam een zwart wollen tricot, dat

hem in den donkeren nacht bijna onzichtbaar maakte. Hij trok het aan en

verborg het gelaat achter een nauwsluitend zwart masker. Toen nam hij

een klein taschje, opende het en keek den inhoud na.

Op het eerste gezicht hield men den inhoud voor de instrumenten van een

dokter, kleine tangen, scharen en messen lagen naast elkander, terwijl

aan den anderen kant kleine fleschjes en een pakje gaas lagen. Dit

taschje echter diende niet voor operaties als hierboven bedoeld, maar

bevatte de werktuigen van den vermetelen gentleman-dief.

Met de kleine loopertjes en tangen, die van het beste staal gemaakt

waren, opende de Groote Onbekende ieder slot. In de zilveren flesschen

was olie en chloroform. Het verbandgaas diende om er deze vloeistoffen

op te druppelen.

Met een zwartlederen armband gespte lord Lister dit taschje aan zijn

linkerarm, zoodat hij het niet behoefde te dragen en aldus uitgerust,

verliet John Raffles de kleedkamer. Hij reikte Charly Brand de hand en

sprak:

„Het kan zijn, dat ik tot morgenavond uitblijf, wees niet ongerust, my

boy.”

„Groet Pigott van mij en wees voorzichtig”, antwoordde Charly.

„Ik hoop het waar te nemen”, lachte de Groote Onbekende en verdween

langs zijn balkon in den donkeren nacht.

Lord Lister No. 0018: Het geheim van de verminkte kinderen · 第 4 / 19 题