DOOILIED

Onverwachts, na een dag dat de ijzel de stammen der boomen, het onderste

der takken en alles wat nog niet besneeuwd was, met zilver had

betinteld, viel de dooi in.

Een plotselinge lauwte omringde en woog op alle dingen, en de besneeuwde

daken en boomen en de ijskegels aan de pannen werden het seffens gewaar,

en begonnen te lekken en te druppelen, de sneeuw zakte, het ijs kraakte

en scheurde.

Drie dagen nadien dreven de ijsschollen op de Nethe met de tijen mee.

"Het fenste muziek gaat er nij over 't land," zei Pallieter tot den

Pastoor. Zij beiden stonden op het steenen bruggesken van "het

Hemdsmouwken", een zijarmken van de Nethe, dat door het Begijnhof zijn

smal waterke kronkelde.

Van op het met mos begroeide bruggesken beluisterden zij het dooilied,

dat over het Begijnhof zong. Het Begijnhof was oud en innig, dien

Februari-morgen; Lichtmis! De roode gevelen en daken, de witte muurkens,

langsheen het water hangend, de knoestige perelaren en appelaren in de

kleine hofkes, alles was nat en beklamd, uitgeslagen van het water, en

tegelijkertijd vinnig stralend in het heldere zonneken. Het was

inderdaad maar een zonneken, maar het maakte over de aarde in al dat

water zulk een groot lichtgespeel als een volwassene zomerzon. Het hong

in de lucht vernieuwd en frisch lijk een schitterend gouden

waterplasken. Hier en daar tegen de pannen, op de boomen, in een

bloempot of een omgekeerde kuip, blankte nog de witte sneeuw die eens

het land verblijdde, maar de sneeuw moest weg, zijn tijd was uit. Onder

de sneeuw door waren versche krachten opgestaan, waarvoor hij uit den

weg moest; uit de lucht waren zijn vijanden gekomen, met aan 't hoofd de

jonge zon. En zij beglansde hem, loech er stekend op en door, en hij

smolt, de goede sneeuw, en lekte en drupte in zingend, stralend water

dood.

Zoet muziek van blinkende perelen, overal! Met de zon er in waren het

als perelensnoeren die van de boomen en de pannen hongen. Zwaar,

kletsend en rap, dreste het uit de dakgoten, het zong in de zinken

buizen, plaste op de straatsteenen en 't klopte lijk harde kneukels en

marbollen op het ingezakte, geelgeworden ijs, dat schitterde in de zon.

Er waren van alle watergeluiden, rappe en korte, gedruip en gelek,

gebonk in emmers en tonnen, gedres en geklets en hoe meer het oor

luisterde, hoe rijker het lied aan klanken werd.

Het was de zang van de nieuwe zon, de eerste stemme van de naderende

Lente! En de zonnige lucht was vol klokkengegalm. "Nij zulle we gauw on

't goe weer zijn," zei de pastoor. En na eene stilte en een zucht: "'t

Is toch spijtig, Pallieter, da g' onze streek verlaat en de wereld

intrekt. Och, bleft en bauwd oe wa' verder nen hof. Dorbij, as er e jaar

over de nief Nethe is gegroeid, zuldet weral gewoen zijn en zuldet

schoen vinne. Bleft!"

"Da's allemal waar," wedervoer Pallieter, "de streek mag na de

veranderinge duzend kiere zoo schoen zijn!--Mor het gedacht en 't

verlange oem overal en nieverans te wonen is in mijn bloed geslage. 'k

Moet weg. Dad is in mij opgekome med in September, as 'k trijwde,

ooievaars hiel hoeg in de loecht zien weg te trekken."

"Nor waar gade?" vroeg de Pastoor.

"Dat weet 'k nog ni, 't is iender waar," zei Pallieter.

"Ge zult er veul genot van hemme," zei de pastoor. "Was ik zoo oud ni,

'k ging mee!"

"En oewe rok dan?" vroeg Pallieter.

"Da was ik vergete," zei de pastoor lachend.

"Kom, we gaan nor Fransoe, kaves drinke oep de schoenheid van de

waterzang." Ze gingen van 't Begijnhof weg en wandelden over de

Begijnenvest. Uit de driedubbele hooge boomenrei, machtig van bouw als

een kerk, met de landschappen als ramen, vielen de groote, zonbestraalde

lekken zoo menigtallig, dat het als regen was.

De blijde, zotte perelendans!

Ze klopten op de boomen, sprongen van den eenen tak op den anderen, ze

vermengden zich, en de een viel rapper dan de ander. Soms kwamen ze met

handsvollen naar beneden gerold, dat de pastoor zijn tikkenhaan er bijna

van inbutste, dan ging het weer op een wandelpas, om ineens weer zot

neer te bonken en Pallieter zijn rug zoo nat te maken als een opneemvod.

"Lot ze mor klappe!" zei Pallieter, "ze rieken nor de Lente!"

En zij lieten zich maar bedruipen, dat het nat in streepen over 's

pastoors zwarte soutane naar omlaag rees, en het rond Pallieters hoedje

lijk gouden bellen hong. Ze blonken allebei.

"Luistert," zei Pallieter.

"Hoort!" zei de pastoor.

En zij beluisterden het muziek van den koelen blinkenden perelendans.

Het land was een weelde van fijne koleuren en teedere tinten. De sneeuw

lag er nog bij plekken, en er hongen heel fijne nevelen, die de verten

bewasemden, en het rood der daken en het zwart der boomen verzachtten.

Door de nevelen weefde de waterzon de weelde van haar jongen glans. En

de verten waren daardoor lijk oude tapijten.

"Zie!" riep Pallieter, naar een sneeuwplek loopend in het gras, "een

snieklokske! een snieklokske!" Door de sneeuw had zich, spijts koude en

wind en schraalheid van de lucht, het bloemeken opgewerkt en belde nu

zijn blanke klokskes onervaren in de lucht.

"God heeft zijn teen reeds op aarde gezet!" juichte Pallieter.

"Wij meuge God danke, de winter is uit!" zei de pastoor.

Op een boerderij over de Nethe, lieten twee boeren een witte veers

bespringen door een jongen, rosgevlekten stier. Op een oogenblik was het

gedaan, en was er zich in die koe nieuw leven aan 't bereiden. Daarna

sprong de stier wat op en neer, en sloeg met zijn achterste pooten een

emmer en aardklonten in de lucht.

"Wij hemme ne fijne Lichtmis," zei de pastoor.

"Ik hoor het licht krake," juichte Pallieter.

"De boome wiene van vreugde," zei de ander.

"Kom, nor Fransoe, versche kaves drinke op de kommerschap van de Lente!"

en dit zeggende nam Pallieter hem vast, en zij gingen arm aan arm naar

de Nethe om over te steken. Doch het ijs was gebroken en dreef aan in

groote, gele schollen met luid gekraak, rap tij op; het schuitje stak

nog altijd onder water, vastgevroren in het ijs.

"Maar Pallieter," lachte de pastoor, "daar kunne wij oemmes ni over!

Laat oens de stad oemgaan."

"Da ga' vanzelf," sprak Pallieter, "geft mij maar ne pol."

"Neeë't," zei de pastoor, "'k ben nog te joeng oem mij leve te

riskeeren."

"Ik kan springe," zei Pallieter, "ge weurdt nij toch ni verveerd? Doe

da' morge!"

De pastoor liet zich overreden; hij had veel vertrouwen in de vlugheid

van Pallieter.

Pallieter nam den pastoor op zijn rug, ging den dijk af, en sprong op

een voorbijschuivende schol, maar die kraakte en klonk om, doch

alvorens Pallieters voeten water hadden geraakt, was hij op drie, vier

schollen, gesprongen, van de een op de andere, tot hij eindelijk in het

midden stilhield op een groote sterke ijsplaat.

"Springt voert!" riep de pastoor.

"Ni," zei Pallieter, de pastoor neerzettend, "voeld is hoe aangenaam het

is, zoe te wandelen oep het water."

En alzoo lieten zij zich meedrijven op de Nethe. Charlot had het gezien,

kwam wanhopig naar buiten geloopen, trok aan heur haar en riep heel de

streek bijeen. "Zij verdrinke, menhier pastoer verdrinkt! Een koor, 'n

koor, kom, hulp!!"

En zoo hard ze kon liep ze naar de Nethe, en achter de twee drijvende

mannen. Maar hoe verschoot ze, als de pastoor haar toeriep: "Hewel

Charlot, vinde ni da 'k nen goeië Sinte Peterus ben?"

Pallieter · 第 30 / 37 题