De bieënkorven liepen schuimend over van den honing. Heel de hof rook er
naar, en nu was Pallieter al een heelen achtermiddag bezig met ze te
ledigen en den honing in steinen potten te doen.
Charlot hielp hem, werkte mee en droeg de potten één voor één, den
koelen kelder in. Beiden lekten van het zweet en van de malsche
honingspijs; ze plakten, en hadden werk om hun vingeren af te lakken.
Loebas, de hond, stond er bij, en wat er geklatst werd, slabberde hij
gulzig op.
Pallieter was uitermate blij om den zoeten overvloed, hij zong dat het
galmde, en Charlot hield haren mond niet stil over den honing en het
weer. Zij was zoo gewarig aan de warmte en zoo weinig bang van
bieënsteken, dat ze op heur bloote voeten liep, in een kort onderroksken
stond, dat slechts tot aan haar pilaarrechte bruien kwam, en vrij en
vrank liet zij heur armen, lijk twee vette kinders, uit de ver-opgerolde
mouwen van haar rood slaaplijf komen.
Ook had ze haar slaaplijf van boven drie knoopkens losgezet, en alzoo
kwam bloot, onder den halsput, het witte vleeschkussen, waarover de vele
vettige linten van hare schapulieren kruisten. Den handdoek, die
gewoonlijk onder het slaaplijf, haar borsten indrukte, had ze nu
afgedaan, en geweldig als dondertorens hongen ze nu in hun volle
malsche dikte naar voren op den grooten buik.
Ze zag rood lijk een oven en zweette lijk een spons.
En ze begosten te spreken over Marieke.
"Mor woroem mut het herfst zijn as ge trijwt?" vroeg ze.
"Dan is het beddeke koel, en dan kruipe we dicht bijien."
"Och zwijgt," knorde Charlot, maar een weinig daarna weer zoet, heel met
haar eigen ingenomen: "En ik die altij' doecht begijn te weurre, 'k ben
al blij da'k het noet ni geweurre ben, want wa zou Marieken hier zijn,
zonder mij?..."
"Awel," baste Pallieter, "'k zal ze bij ij late slape!"
"Da' wil'k ni zegge," zei Charlot, en hier richtte zij zich op. "Maar
Marieke is ma petekind, en zij zuut, der zal gin haarken aan miskome!"
"Och," zei Pallieter, halfzingend en tergend. "Als 'k getrijwt ben,
hem'k gin meid nimier noedig."
En toen schoot Charlot uit: "Oei, oei, 'k moet hier buite! 'k weur hier
weggejaagd, ikke een wies! 'k had het gedoecht! da's veur al mijn
goedheid, da's dank! en da' deur degene, die 'k als kind nog hem
gedrage! God, lieven Heer sto ma bij!"
"Kom, kom," zei Pallieter, haar troostend, "'k was 't vergeten dagge
wiezeke waart."
En daarmee was de ruzie uit en 't werk geraakte gedaan.
Charlot sloeg een anderen rok aan, rolde haar mouwen naar omleeg en
droeg den grootsten pot naar den pastoor.
Pallieter nam er een voor Fransoo zijn vriend, den schilder, en een voor
het arme Gasthuizeken, ook aan den anderen kant der Nethe gelegen.
Hij vaarde een heel eind met het schuitje het water op, en stak toen
over, lei zijn boot vast, en met een pot op zijn schouders en met een
pot in zijn arm, stapte hij den malschen klimmenden wegel op, en floot
een scherp deuntje.
Over de potten volgde steeds een gegons en gestippel van bieën,
hommelen en wespen; in een herbergsken ging hij zijn dorst lesschen; 't
was slecht bier, en als hij buiten kwam, hongen de beestjes seffens weer
rond de zoete potten te draaien.
Ginder hoog boven de boomen rees de oude molen op. Hij draaide vreedzaam
zijn roode wieken in den kalmen zuiderwind, en liet een koperen windhaan
schitteren, en nu de zon zeer machtig straalde was helder het mos dat
zoo weelderig de zwarte houten romp beplakte en bestreepte.
Het was een schoone molen, hij hong wat achterover, hetgeen hem nog
vriendelijker maakte en hij domineerde over 't land, trotsch als een
kerk, en was van alle kanten zichtbaar.
Pallieter ging er geren op, want hij had er steeds een schoon gezicht
over de boomen en de verten, en genoot er voluit van de lucht en haar
elementen; van den wind, die het land verblauwde, en van de
regengordijnen, die achter de wereld omhoog schoven en de aarde begoten,
wijl ginder de zon uit de donkerheid een molengehucht deed blinken.--Hij
kon er zich uren vergapen aan het broeien en groeien der wolken. De
avonden en morgenden waren er grooter en langer, en de nachten eens zoo
oneindig. De winters lagen er rondom lijk ware Breughels, en men zag van
hier de lente waarachtig uit het Zuiden komen, en dan, altijd en overal,
in zon en mist, zag men het boerenvolk de goede aarde melken.
Was dat niet Mozesachtig?
Rap klom Pallieter met den honing en de bieën naar de schilderkamer van
Fransoo, in 't hoogste van den molen. Fransoo's struische vrouw volgde
hem lachend.
De vriend stond half naakt een panoramalandschap te schilderen, in het
halve licht dat door de kleine luchtgaten kwam, en waardoor men van 't
midden der schilderplaats reeds den wierookblauwen einder zag.
Pallieter gaf den honingpot, liep dan seffens naar een der gaten, en
stak zijn kop er door.
Hei! Lucht en licht! zoover hij zien kon was het koren, koren heel de
wereld rond, om de dorpen, om de begijnen-bosschen, de huizen, de
beemden en langsheen de Nethe. Gouden koren overal! En klein en dun en
zwart stonden de menschen gespikkeld, die daarin aan 't werken waren.
Dat was het heilige werk van 't koren! heinde en ver gonsde de pikke,
overal draaiden de molens en hier joegen de wieken zoevend en ratelend,
met een zweep wind, voorbij zijn verwonderd gezicht. Hei! dat was
allemaal om 't brood te maken; het manna dat uit de aarde komt!
En hoog daarboven sloeg de zon heur licht het heelal in.
"Hei!" riep Pallieter tot Fransoo en zijne vrouw, die van den honing aan
't proeven waren--"ziet de Wereld! ze baart! ze geft zog! Komt lot ons
fieste! lot ons deur 't kore gaan, de eerde kusse en verdrinken in de
grond!"
Ze gingen beneden bij den mulder een glasken rooden wijn drinken en
Pallieter kreeg van Leonie, Fransoo's vrouw, een grooten bloemekee van
safraan-oranje rozen; dat was uit dankbaarheid voor zijnen honing, en
hij duwde er zijnen neus in, en deed zijn oogen toe van den deugdelijken
reuk.
En dan ging Pallieter met Fransoo den anderen honingpot naar 't arme
gasthuis dragen. Ze droegen hem elk bij een oor.
Zij gingen langs het koren.
Hier stond het nog volop geel te rijpen, voorover gebogen van de zware
aren, en van onder bedrest met blauw en rood; dáár waren ze het dan weer
aan 't afpikken, een ploeg mannen met luidruchtige bindsters, of een
ventje alleen. Heelder plekken waren hier en daar reeds afgedaan, en
stonden thans vol schoongereide schoven. En overal hong het hevige
licht van de zon als kransen rond, rond de aren, de boomen en de gebogen
menschen, en de hitte bibberde daarboven altijd eender als een
zenuwachtig water.
Pallieter en Fransoo waren uitgeklapt en zwegen. Ze gingen op gelijke
passen voort, altijd achter het stof dat hunne voeten opwolkten; en 't
eenige geluid was hunnen asem, het kletsen van een korenaar tegen hun
gezicht, en het gonzen van de bieën rond den honingpot.
Zoo waren zij al een heele tap gegaan, en Pallieter zijn mond was
poederdroog van dorst, en hij had een verschrikkelijke goesting naar den
smaak van bier gekregen.
Maar ze waren ver in 't land en daaromtrent geen simpel herbergsken. En
hij wrong met moeite speeksel in zijn aan leder gelijkenden mond.
Maar na nog een kwartierken gaans, zag hij uit een hollen weg een
bierkar koperflitsend komen afgeroteld en hij riep--"Hoera!"
"Wat is het Bruur?" vroeg Fransoo verschietend.
"We hemme deurst en ginder is bier!" riep Pallieter, "lot ons drinken!"
En zij liepen dweers door 't koren naar den wagen toe.
"Hela!" riep Pallieter den aanrollende rooden dikken voerman toe.
"Verkoept ons is 'n tonneke bier! We stikke!"
"Alles is verpast!" riep de vent voortrijdend.
"Ta, ta, ta, ik geef oe dobbel winst!" riep Pallieter terug.
"Allé dan!" zei de vent, hij hield het peerd in. "Neem daar mor e vaatje
bock, da kunde seffes drinke. Gade gijlie fieste?" vroeg hij er
nieuwsgierig bij.
"Ja!" riep Fransoo, en Pallieter nam een tonneken van de kar en
betaalde.
De vent reed voort, en terwijl Fransoo den honing droeg, rolde Pallieter
het tonneken met voetstampen voort.
"Mor hoe na gedroenke!" vroeg Fransoo, "wij hemme gin kraan en ginne
pot!"
Pallieter krabte in zijn haar--"'n kraan is niks, mor waar ne pot gon
hale?"
Beiden zwegen, bleven staan en zagen naar den honingpot. Was die pot nu
maar leeg.--"Kom," zei Fransoo "lot ons oep 'n hoef ne pot hale."
"Allé dan!" en zij rolden het tonneken over den witten weg.--Zij kwamen
aan een korenplek, half afgemaaid, en ginder in den elzenkant zaten er
pikkers en bindsters hunnen vier-uren-koffie te schoven. Als Pallieter
hen zag, verblijdde hij zich uitermate en riep, hoog zijne armen
zwaaiend: "Hé manne, lot elle kaffe staan, hier is verschen bock en as
g'n koem geft, meugde ellen buik vol drinke!"
Seffens kwamen zij afgeloopen, elk met hun koffiekom en wrongen om 't
dichtst bij 't tonneken te staan. Met een lierenaarsmes sneed Pallieter
de kurk er uit en klets daar spoot het bier er uit, maar de kommen
wierden er ondergehouden, schuimend gevuld en gulzig leeg gedronken. In
het gat wierd er een gauw gemaakten houten tap gestoken, en zoo konden
ze drinken zonder haast, en liep er niets verloren.
Ze schaarden zich zittend rond het tonneken, en Pallieter dronk zooveel
hij kon uit een groote kom, beschilderd met een rooden papegaai. Er kwam
geen einde aan den dorst; gedurig aan spoot het bier uit het gat, en er
werd gedronken en gelachen dat het zweet hen op het voorhoofd perelde.
"Nij nog e muzikske en 't is kèremis!" lachte een meid.
"Allé Araan!" riepen er stemmen tot een te langen, mageren jongen,
"haald a schuiftrompet, dan kunne we danse!"
"Ja!! ja!" riepen ze nu verward, "w'hemme nog al den tijd! Allé spoed
oe! zij rap!" De jongen liep gewillig weg, wijl de meisjes van de pret
het uitgichelden en malkander zotten praat toesloegen.
Ondertusschen dronken ze, een oude vent was tapper, en daar kwam de
jongen van huis terug, met zijn broeder en een groen uitgeslagen koperen
schuiftrompet.
Hij dronk eerst nog een pint van 't smakelijke gele bier, en begost
toen, in zijn volle lengte rechtstaande, een langen wals te spelen.--De
klanken vielen vreemd uit de korenstilte en droegen ver. En zie!
iedereen was aan den dans behalve de oude, die voor zich zelf maar
tapte. Elke jongen nam een meiske, en de jongens die overschoten dansten
met elkaar; zoo danste Fransoo met een klein bultig boerken. Maar
Pallieter had er het bloemeken uitgehaald; een mollig ding met bloote
braaien en armen, en een blozend gezicht vol rose zomersproeten. Ze had
oogen vinnig lijk van een kat.
Al dansend drukte hij haar malsch lijf tegen het zijn, zoodat hij goed
al hare vormen waarnam, en zijne handen betastten gulzig hare waggelende
heupen, dat zij het uitkreet van de pret.
De dans was uit, en zij zetten zich nevenseen in 't gers, bij de anderen
rond het vat. Allen hijgden, en hun boezems gingen op en neer.
Als zij weer eens goed van 't lekkere bier genoten hadden, riep
Pallieter: "Alle gauwkes nog nen dans!"
't Was nu nen polka. Weer nam hij hetzelfde meiske, en zij dansten dol
en wild. Hij drukte haar dichter tegen zich aan, danste uit den
danserskrjng, en dan ineens zette hij haar een beentje, en beiden vielen
op den grond; en hij viel op haar als op een kussen, en voelde al de
weelde van haar mollig lijf dat schokte van het lachen, en gulzig plukte
hij wel honderd kussen uit haar witten hals en van hare dikke kaken. Zij
stonden moeilijk op, aan haar uitbundig lachen scheen geen einde te
komen en iedereen moest meelachen dat zij niet drinken kosten.
Maar van uit de verte klonk het verschietend toeten op een blikken
horen. Dat, was het teeken dat het rusten was gedaan en met spijt grepen
ze hun alaam en pikke en gingen moeilijk aan het werk.
Ze riepen nog eenige zotte slagen naar Pallieter en Fransoo, die er
opgeruimd van door gingen, het tonneken achterlatend.
De twee vrienden gingen pratend verder. Maar het klooster was nog wijd,
en Fransoo zei van wat te rusten, want hij was open en hij zweette lijk
een gieter.
Fransoo lei zijn dik lijf in het gras eener beek, deed zijn oogen toe,
en was seffens in een diepen slaap. Hij snorkte lijk een verken.
Pallieter zette zich nevens hem, smoorde een pijp, zag naar het koren en
de klimmende leeuweriken ... smoorde nog een pijp, en daar Fransoo niet
verroerde lei Pallieter zich ook te slapen.
De honingpot stond tusschen beiden in een wolk van honingdieren.
En de twee vrienden sliepen, en boven hen, achter den breeden eikenboom,
hong de hooge lucht te dansen van de hitte------
Als Pallieter wakker werd was de honingpot omverre gevallen, en was de
zon gulden aan 't zinken in een zilveren wolkenstreep.
Fransoo werd omtrent met hem wakker en zei geeuwend:
"Dad hee me deugd gedaan."
Er wierd gelachen om den pot, waar meer dan de helft was uitgevloeid, en
daarna gezwegen om den schoonen avond-dag.
De dag kreeg een schoone rust en heel de hemel stond vol
kleuren-helderheid lijk in de schelpen van de zee.
Zij bleven staan en de avond kwam over het koren, het rood zwol uit in
de lucht en elke korenhalm kreeg zacht een rooden schijn. Er klom van
ievers een heele vlakte hooireuk op, en uit de beken steeg de smoor, die
over de droge wegen schoof lijk gulden stof.
Zij gingen terug: "Ik zol morge nen andere pot nor 't gasthuis drage,"
zei Pallieter.
Fransoo ging naar zijnen molen en Pallieter naar de Nethe.
Onderwegen kwam hij een kind tegen, dat met een rolbaksken waarin een
zak meel stond, van den molen kwam. Hij gaf het den honingpot, en
beschaamd, zonder iets te zeggen, liep het rapper.
Er kwam van het veld een hoogopgetaste, korenwagen, waarboven een dikke
vrouw zat, die een groote witte borst gaf aan heur kind.
De dag was henen, en in de groene lucht sneed de zilveren manesikkel een
uiterst scherp streepken. Daar, grootsch tegen den hemel geblokt,
trokken twee zwarte trage ossen eenen ploeg nog door den donkeren grond;
de boer er achter zweeg. Er viel een blauw licht over het lijf der
dieren heen, en de golvingen van hunnen hoogen rug bij eiken stap waren
als bergen die verroerden. Hun kop knikte zwaar over en weer, en hunne
snuiten snoven damp.
De boer scheen nog niet te eindigen, en lei een versche voor. Zijn ploeg
blonk spookachtig wit, en zwart en reuzig trokken de twee ossen kalm het
voertuig door den grond, die vettig openviel, een weinig glom en eenen
goeden zalfreuk verspreidde. Uit de omgeklonte aarde steeg een dunne
smoor.
En donkerder werd daar hoog boven de lucht, waarin het sikkeltje
klaarder sneed. Een dikke ster deed haar oog open.
Pallieter zag weggaande steeds naar de groote ossen om; zij hadden hem
het hart geroerd. En als hij in het schuitje overvaarde was er een die
loeide in den nacht, en dat deed hem rillen.
De dag was toe en donker, maar het water was nog helder licht, en voerde
hooi mee met zijn loop.
En door dien heiligen vrede die het land omhulde, klonk ver het
veelmondig gezang van huiskeerende pikkers en bindsters. Pallieter had
kunnen weenen en zei: "Neeë! de groete Pan is nog nie heelemaal doed.
Die dat hoorde zeggen hee gedroemd! Want ik hem vandaag zan horekes
gezien!"