Terwijl zij, al wandelend in den hof, den pastoor afwachtten, zette
Pallieter, Charlot en Marieke onder de lommerte van den kastanjeboom een
lange tafel van planken op schraagkens. Ze sloegen er een blauw-geruit
laken over en bedekten het met helgebloemde tellooren, glinsterende
glazen, messen, lepels en vorketten.
Een dichte root van dikbestofte wijnflesschen stond donker van het eene
tafel-eind naar het andere: het waren als achtereenloopende beggijntjes,
en in de lommerte lagen twee groote tonnen bier.
Na een kwartierken kwam de pastoor met een lange steenen pijp den hof
binnengewandeld. Ieder zette zich rond de tafel, en de schaduw temperde
blauwachtig de felle kleuren hunner ruischende kleêren.
Terwijl zij over 't een en 't ander spraken, wachtend naar het eten,
hielden er eenigen, van ongeduldigen eetlust, hunnen lepel reeds vast,
en zagen, met hun gedachten in de keuken, over de beemden en de landen,
die verlaten in de zon lagen te blinken.
Daar kwam Charlot met een groote soepterrien afgeloopen. Zij schepte in,
hield haren mond geen Ave-Maria stil, en zocht voor ieder naar veel
frikadellekens.
De pastoor maakte alsdan een kruisken en bad stil; de anderen deden
hetzelfde en Charlot bleef rechtstaan, de oogen gesloten en de vette
handen saamgevouwen op haar dikken buik.
Daardoor was er een oogenblik van aandoenlijke stilte, waarin
verschietend een jong haantje van op den mesthoop kraaide.
En dan begonnen de lepels te gaan en 't gesloeber van de vele monden.
Als hunne soep ledig was, wierden er al pijpen aangestoken, en toen
stond Pallieter recht en sprak: "Nichtjes en kozentjes van Charlot, ge
got hier allemaal veul ete, want er is veul geried gemokt, 't moet
allemol oep! En daaroem zeg 'k, dat de vier mensche die 't minste zullen
ete, staaltje moete trekke, en dat den dië die het kleinste strooike
trekt, mè zan bloete achterkake in een talloor rijspap moet gon zitte!"
Dat werd met luid gelach aanvaard, en toen is er gegeten en gedronken
lijk op een feest van Jupiter.
Niemand wilde de schande ondergaan van het belachelijkste gedeelte zijns
lichaams te vertoonen. En de vrouwen zoowel als de mannen, ze duwden het
eten er in, ze deden om ter meeste; de een wilde niet onder doen voor
den anderen.
En er kwam achtereenvolgens in overvloed; tarbot met aardappelen, hesp
met laboonen, kalfsgebraad met aspergiën, kempische kiekens met salaad,
een heel speenvarken, met bril voor de oogskes en appelsien in den
snuit, honderd meters worst met witte kool enz., en er werd daarvan
gegeten, opgeladen en bijgeschept dat het zweet hen op het voorhoofd
stond en in hun telloor lekte. En om alles beter in hun maag te krijgen,
goten zij gedurig van het koele bier en den fijnen wijn door hunne keel,
zonder kloeken of slikken lijk door een stoofbuis. Het was een lawaai en
rumoer, en er werd gelachen als er een wat te weinig at, en op voorhand
victorie gekraaid en gezongen.
De zon en de lommer speelden op hunne roode gezichten en glansden helder
op de stijve kielen en op de zijden halsdoeken; en daarbuiten, over de
haag, schitterde de lenige Nethe, en strekten zich de rustige
Zondagvelden uit. Er hongen zoete liederen in de boomen, en de aangename
reuk der stoverijen wandelde in het veld.
Pallieter, die nevens Marieke zijn plaatsken had gezocht, zat zich soms
krom te lachen, als hij die vretende menschen zag.
Charel Verlinden, een dikke boteropkooper, liet de karbonaden met
peekens en erwten passeeren. "Ik zal straks man scha wel inhale," zei
hij. Maar iedereen begost hem uit te lachen, en zij verkneukelden er
zich reeds in, zijn groot achterste te zien.
De buiken zwollen, en drie menschen stonden te wachten vóór 't vertrek.
En nog kwam er maar gedurig aan versch eten.
Een jonge boer wierd ineens bleek, liep achter een boom, lijk een ezel
balkend, braken, en kwam terug zeggende: "'t Is niks." Hij dronk zijn
glas wijn leeg en ontstak een versche sigaar. Marieke gaf maar heelder
stukken vleesch aan Loebas en meneer Pastoor zei: "Drinken is ook eten".
Deze voelde zich beschermd door zijne soetaan, en dronk maar den ouden
zwarten wijn.
Charlot kon bijna niet meer. "Ik hem nog kans mè het staaltje te
trekken!" zei ze. Dan wierd er eerst fijn gelachen, en men zong al van:
"Charlot is van de brug het water in gevalle!"
Er kwamen nog looze vinken met bloemkool, enz. enz. Er was een aangename
angst, en honderd zottigheden werden er verteld. Men dronk maar, en de
wijn sloeg naar het hoofd. Maar toen kwam de voorlaatste schotel; jonge
duiven met kriekenspijs. Stans gaf haar kind van de spijs met haren
vinger, dat hij seffens zoo rood werd als een indiaantje. Een
boerenknecht bracht een tweede schotel, maar de kleine sloeg er zijn
pollekens in, en de telloor viel met de duifkens in stukken op den
grond; tot veler verheuging, want ze waren raar die nog apetijtelijk
aten.
Stans gaf daarop heur kind een schudding en de kleine begon brand en
moord te schreeuwen. Zij opende haar jak, wrong er een dikke witte borst
uit, en stak ze in 't roodbekriekt gezicht van 't schreeuwend jong. De
kleine sloeg er zijn vettige handekens op en begost te zuigen, 't Rood
van zijn gezichtje plakte seffens op haar witte borst.
Men werd uitbundig. Pallieter, die Marieke nevens hem voelde, dat
schoone kind, nam haar in de lenden, en drukte met bekriekten mond een
kus op haar wang waarop een rood plaksken bleef, en seffens wierd al wat
vrouw was, door het mannenvolk gekust. Het was een gelachen getier
waarboven uit het kind kriaalde.
Stans vergat de borst in haar jak te steken en zij zwabberde en waggelde
mee met de lachschokken van haar dik lijf. Glazen vielen kapot en
flesschen rolden van de tafel.
De zon zakte.
Maar daar op een draagbert brachten twee man de groote tellooren
rijspap. Van dees gerecht hong alles af. Iedereen gaf zijn laatste
courage. Een magere tooverheks en Pallieter alleen aten hun schotel
leeg. En toen moest er staaltje getrokken worden tusschen meneer
Pastoor, Marieke, Charel Verlinden en Charlot. Er was een ongeduldig
afwachten. Iedereen stond rond Pallieter, zwijgend en zenuwachtig, en
een luid gejuich brak los als de dikke boteropkooper het kleinste
strooiken trok.
Maar de dikke boer ging loopen. "Pak hem vast!" riep Pallieter.
"Charlot, breng de teiloor!" De boeren grepen Charel vast, die spartelde
lijk een varken om los te geraken, en Charlot, kwam met de enorme
schotel afgeloopen, maar zij lachte zoodanig, dat ze in haar rokken
waterde, en de schotel in honderd stukken vallen liet. Charel Verlinden
danste verheugd met de armen in de lucht. Iedereen stond te lachen om
breuken te krijgen, en Pallieter rolde er van op den grond.
Verlamd en vermoeid gingen zij zitten uitrusten op den groenen
Nethedijk, terwijl de zon de wereld met gouden armen omhulde.
* * * * *
Als zij, tot bij klaren maneschijn, onder de lage takken van kromme
appelboomen en mispelaren hadden gegeten en gedronken, gelachen en
gedanst, en, tot slot, het kort, rap vuurwerk hun beenen had doen
rillen, namen zij met veel lawijd en gepol afscheid van Charlot, en
trokken zingend, terwijl Pallieter aan den arm van Marieke op een
mondharmonika speelde, langs de vest en door de straten naar de statie.
Daar gaf hij de vrouwmenschen allen een paar klinkende kussen, bij
Marieken kon hij er bijna niet uitscheiden, en hij liet haar niet los
voordat ze beloofd had binnen kort voor enkele dagen weer te komen.
En ze vertrokken, verhit en luidruchtig, in hun schoon kostuum naar hun
ver dorp, om morgen bij zonsopkomst alweer met slechte kleeren in het
mest en het groeiende veld te staan labeuren ...
En Pallieter voelde dat er iets van hem meeging naar ginder. Als hij
thuiskwam lag Charlot in de keuken met ovenrood hoofd op de tafel te
slapen, met nevens haar den paternoster en getijdenboek.
In den hof rook het naar verbrand papier van 't afgestoken vuurwerk. De
maan scheen en lichtte op stukken flesschen en tellooren, in het gers,
door het spuitende fonteintje, en op de ordelooze glazen, eetgerief en
vruchten op de tafel.
Pallieter vond het schoon. Hij zette zich op eene bank en zat het stil
te bezien.
Heel ver in de stad was er nog kermismuziek, en een nachtegaal floot
dicht bij hem. Hij zag hem zitten met den staart scherp profileerend op
den zilveren manebol.
Hij floot kort, beluisterde lang zijn eigen, maar elke klank was goud
waard. Zoo zat Pallieter daar lang met den schijn der maan op zijn
handen, en de nacht sprak tot zijn hart.
Hij ging wandelen.
De Nethe was stil, en slechts nu en dan lekte de maan een guldene plooi
in het donkere water.
De beemden lagen vol droom en het gers was nat van den dauw.
De stilte was heilig.
Pallieter wandelde langzaam voort, plukte een natte bloem, die hij
tusschen de tanden wiegelen liet, en zijn schaduw wandelde met hem meê.
Hij kwam in het veld, waar de vruchten roerloos in den lagen nevel
stonden.
Het koren glom, strunken bogen maanbelicht over met witte bloemen
begroeide grachtjes, en de berkeboomen ritselden blinkend hun ijlen
blarenregen.
Hij zag het wit gat van een konijntje tusschen de selders weghuppelen,
en wat verder nevens een mutsaard zat in het gers een verliefd paar
zwijgend te vrijen.
Pallieter ging wat op zijde om hen niet te storen.
Na al het rumoer en de uiterlijke vreugde van dezen kermisdag was hij
door dezen volle-maanbelichten nacht geroerd tot in de ziel, en zijn
hart smolt van ongekende goedheid in zijn lijf.
Hij dacht aan Marieken, dat goed en zoet Marieken dat hij zoo schoon
vond als een veld, wier lichaam hij had omprangd, wier lippen hij had
gezoend.
En hij was vol van het verlangen dat Marieke bij hem zou zijn, zoo heel
stil, hand in hand, lijk twee brave kinderen.
Er was iets in hem dat hij niet bepalen kon, maar hij liet het rusten,
want het was zoo zoet voor de ziel, als voor een warmen mond een koele
kers. En aan een plasje waarin de maan stond, haalde hij de
mondharmonika uit den zak, en zuchtte en zoog er zulke zachte
zilverklanken uit, dat het leek of 't de maneschijn was die zong.