DE HOF, EN DE BRIEF VAN CHARLOT

Het smakelijke groen, dat de malsche Mei zoo zot uit de boomen had

geklopt, was open gevouwen en overdekte nu het aanschijn van de wereld.

De beemden waren één bloem en de reuken van kruidnagel, lisch en

peterselie wandelden ondereen bij nacht en dage door de lucht, 't Was om

er bij in slaap te vallen lijk een slang door zoet muziek ...

Wie had het in den witten winter kunnen denken, dat er in die kale,

harde aarde en die bloote, zwarte boomen zulke macht van hartverheugend

leven zat bijeengekoekt?

Pallieter zat in den hof het jonge groen te zuiveren. De grond was

malsch lijk boter en blonk van vettigheid. De zon kwam lijk een warme

adem op Pallieter zijn wit hemd, en het deed hem zoo'n deugd dat hij er

zijnen rug van ronddraaide, en hij zong.

Bij wijlen bleef hij een heelen tijd naar de riekende weelde van den hof

zitten zien, en hij had nog oogen bij gewild, want er was meer

schoonheid dan hij zag.

De boomen waren breed en vol, en 't licht dat rond de stammen hing was

groen lijk maneschijn; er stonden al veel bloemen uit, en witte en roode

rozen.

Een dauwdruppel schitterde op een zwarte pensée.

En in dat groene waterlicht speelde 't gefluit van een merel. Hij zat in

den bloeienden kastanjelaar, van binnen in de schaduw. In die frissche

eenzaamheid haalde hij zijn hert eens deugdelijk op, en 't rilde en 't

sleep uit zijn keel een helderklinkend lied. Het klonk lijk in een kerk.

Er lag een heiligheid in.

"Dor moet oep gedroenke weurre," zie Pallieter in zijn eigen, en hij

riep met de hand aan den mond: "Pastoerswijn, Pastoerswijn!" Hij at een

handsvol erwten.

Een beetje daarna kwam Charlot met een dikbuikig halve-liter kruikske en

een fijn kristallen roomer. Hij rook aan de pasontkurkte kruik, deed er

zijn mond van open en zijn oogen van toe, en schonk in. Een zonnepriem

schoot door het glas en vergulde den blonden klaren wijn.

Als Pallieter hem met trage zeupkens had uitgezogen, klopte hij met den

duimnagel tegen het kristal en een volle ronde klank sprong in de lucht

en singelde zich langzaam uit.

Charlot schonk voor haar ook in, en Pallieter zag dan eerst de

inktvlekken op haar rood gezicht.

"Woroem ziede zoe zwert?"

"Wel," zei Charlot, "ik ben nen brief on't schrijve oem nor de kèrmis te

kome. Mor 'k hem gedoecht," voegde z'er rap bij, "van Marieke, ma

petekind, oek te verzuuke, mag ek?..."

"Als ze goe kan ete," zei Pallieter, "lot ze dan mar kome, 'k wil da

dink ook is zien ..."

"Och 't is zoe schoe meske," zei Charlot vol bewondering, "en brijf

gelak 'nen engel. Ze kan nog gin vlieg kwa doen, lot goe staan on ne

mensch. Als z'er ieste kommune dêe ..."

"Ja, ja, dat hem 'k al honderd kiere g'hoord," zei Pallieter, "zegt da

ze meê komt, mè ne lêegen buik en mè ne groeten hoenger ..."

"'k Zal 't zegge," zei Charlot en ze ging weg. En Pallieter dronk het

stoopke leêg.

Hij wilde voortwerken maar daar werd zijn oog op zij getrokken door een

vinnig licht. Hij zag op, en 't was een schip met overgroot wit zeil dat

heel den hemel besloeg. De zon kletterde er op en de mollige wind deed

het zwellen.

Pallieter stond op en leunde over de haag om het beter te zien.

De anijsreuk die van de hagedoornrozekes in zijnen neus kwam, deed hem

het schip vergeten. Maar de jongen, die het roer hield toette ineens op

een horen; de klanken droegen ver over het land en vielen, na een kleine

stilte, aan den blauwen horizon uiteen.

Het zeil schoof weg en daar had hij vóór zich het verre Netheland vol

aangename diepten. Het lag daar, lichtgroen, wijd en klaar van het

malsche licht dat uit de diepe luchten vloeide. De hemel was van dat

zuiver Lievevrouwenblauw, en nevens de aarde schoven hooge gele, vette

wolken, van boven wit verlicht, lijk sneeuw. De Nethe was nog dieper

blauw, en kalm lijk fijn olie.

De molens draaiden langzaam rond, en de verre huizekens blikten wit en

rood.

De overtollige boter-, pis en peerdebloemen in de weiden waren als

levende plassen boter en melk. Een ganzendriehoek in de lucht, en uit

het blauwe bosch het lachen van een ekster.

"Oh," zei Pallieter, "er kome nog ballonnekes in te keurt."

En wat deed hij, "den Bruur"? Hij haalde een koffiekom, maakte er met

groene zeep en regenwater een zoppeken in, zocht de zuiverste pijp en

zette zich weerom aan de haag. Met de pijp blaasde hij in het water,

hard en lang, tot er babbelend een toren van opeengestapelde zeepbellen

was uit opgerezen. Hij vatte een van de broze belletjes in zijn

pijpekop, blies voorzichtig in den steel en zie een zilveren blaas

ontbolde zich uit de pijp. In 't grooter worden kwamen er meteen fijne

groene, roode, purpele en gouden kleuren in zwemmen, die dooreenliepen,

rezen en daalden en in elkaar versmolten. Pallieter stond er van verpaft

en zag er zijn eigen beeld, zijn huis en heel het landschap in.

"'t Is precies of da'k man ziel uitblaas," zei hij.

En als ze twee kinderkoppen groot was, zwaar wegend van de koleuren,

loste hij ze met een klein schokje van de pijp en zie de ijle bel steeg

langzaam in de blauwe lucht.

"Wad e schoen dinge, 't is zonde da' k da' ni on man plafon kan hange!"

En hij maakte er nog grootere, kleinere en heel klein en allen dreven

ze, als fier over zich zelven, kalm naar omhoog.

Ze teekenden zich goud, of rood of groen af tegen de hemelblauwte en

hongen daar te zweven nog schooner dan de sterren in den nacht.

Er gingen er heel hoog, anderen zakten neer op den grond, barstten kapot

tegen een boom, maar de meesten brak de zon vaneen.

Petrus, de ooiëvaar, stond van op het dak met den bek in de pluimen,

peinzend het spel na te zien. Pallieter zag het, en poogde blazen naar

den vogel te doen drijven.

Het ging, maar hij liet ze gerust voorbij gaan. Doch een, die hem te

dicht bijkwam,--'t was juist een gouden--purpele--sloeg hij met zijn

rooden bek te niet.

"Bravo Peterus!" riep Pallieter, "ge kregt strak e stukske vliesch!" En

hij maakte voort blazen, want hij kreeg niet genoeg van de hemelsche

verven.

Terwijl hij daar bezig was, kwam er een magere, gele man voorbij, lezend

in een dikken boek. Hij was filosoof, theoloog, historicus,

natuurvorscher enz.

"Och," riep Pallieter, die hem kende, "hoe kunde nij nog nor snie zuuke

van passeerde jaar, als de zon dor zoo schoen te schijnen hangt!"

"De zon gaat mij niet aan," zei de geleerde. "Ze schijnt altijd, ik zoek

het wereldsysteem."

"Gij wilt ne scheet in e vogelekeveke gevange zette!" zei Pallieter, en

kwaad ging de filozoof verder, lezend in zijn dikken boek.

Maar er ging een geritsel en beweeg onder de breede savooienblaren, en

daar kwam, geel en zwart, de schildpad onderuit gekropen.

"Ei! Fille," zei Pallieter, "'k hem oe in twie dage ni mier gezien! Hoe

is 't?... Kom is hier."

Fille, de schildpad, kwam, en Pallieter klopte met zijnen kneukel op

haar blinkende schelp. Ze bezag hem. Hij nam ze in zijn armen en met

haren drogen harden kop wreef ze heen en weer over zijn kaken.

"Gij goe stoem biestje," zei Pallieter haar neerzettend, "hier zie, da's

veur ij...." En hij vong met de hand een van de honderd zonvliegen, die

op de fijne lucht hingen te brommen, en stak ze in de schildpad haren

bek.

Daar luidde het noeneklokske zilver gonzend uit het begijnhoftoreken en

Charlot kwam uit de keuken, roepend met blijdschap:

"Hij is af!... ik zal hem is veurléze!..."

Ze zette zich vóór Pallieter, die, op zijn knieën gezeten, luisterde.

Een veeg zon schoof over haar rood slaaplijf en haren blauwen

voorschoot. Een inktplak liep van haren neus naar de onderste lip, en er

bibberde een zonneke op haar linker oog, dat ze daarom toedeed. En alzoo

las ze van het wit papier:

"_Beste Nonkel Hanrie_".

"Ik neem de pen in de hant oem oe den staat van mijn gezondheit te late

wete en ik hoop van ellen hetzelfde. 't Is e zondag acht dage kèrremis

en onze menhier Pallieter zij gèren emme dagge nor de fiest kwaamt lak

passeerde jaar oem te smullen en te smeere. Hij hei gezeit dagget on man

hiel familie mor moet zegge, want anders mut ekik te veul brieve

schrijve. Komt mor met de vapeur, oem 't zelfden uur as passeerde jaar.

Onzen baas zal me kar en peerd on de stasie staan oem de wijven oep te

luië; de mannemense moette mor te voet gaan. De smet van on de Nethe

zal e joenk vèrke doet doen oem oep t'ete, want gelak ge wet, onzen baas

doe gin bieste doet, nog ginne pier. Da kan em ni over zan hert krijge,

zeètem, mor a et ze toch oep. Hij wilt zelf gin biesten in huis hijve,

en ik zij geren ne kaneurrevogel hemme, mor a wilt er vor den duuvel ni

van wete. Ze moette vliege, zeètem. Ik hem al e schoe keveke gekocht van

vier frank, mor onzen baas zeè van er mor nen blekken kaneurrevogel in

te zette. De joenge patatten en d'eèrte zullen er in abondanse zijn en

oek de jeèrbeze."

"De meid van den pastoor van 't Beggijnhof heèd e nief medikement

verzonne oem appelkokketoerte te make. Ik zal er zoe is ien make. In ie

woort, dor zal niks te keurt zijn. Mor leusterd: onzen baas heè gezeè

dagge ma petekind Marieke sito, sito mut meebrenge, want dattem anders

oep zanne poet zal spele. Ik geloef da 'k nij niks ni mier te zeggen

hem, dan veul komplemente on Marieke en da'ze goe veur mij mut leze. In

d' hoop dagge dan allemaal zult kome, schrijf ik met de pen en met het

hart."

"CHARLOT BELLEKENS."

"Pé, Sé--Seffes as 't doenker is zal onzen baas ballonnekes aansteke, en

e groet vierwerk make."

"CHARLOT BELLEKENS."

En als 't gedaan was met lezen liepen er twee vette tranen over hare

roode wangen en ze zei seffens daarop met een krop in haar keel: "Kom

ete."

Pallieter · 第 9 / 37 题