(VERVOLG.)
Op de kaart van den winkel ziet men nog een trap, ook achter de
toonbank, maar heelemaal aan 't eind. Die trap liep naar beneden, en
voerde met een tree of zeven naar de keuken, het tweede vertrek van de
woning. Meer vertrekken waren er niet. Boven, in de huiskamer, sliepen
onze ouders en de meisjes, beneden, in de keuken, onder de huiskamer,
sliepen de jongens, vijf in getal, drie eigene en twee vreemde. Van dit
vijftal was ik de jongste. Men begrijpt, dat ik daar in een goede
leerschool was.
's Morgens, al tamelijk vroeg, moest de bende op. De oudsten gingen naar
de Ambachtsschool, die om half acht of acht uur begon, en wel een half
uur ver was. Dat was altijd een heel tumult. We wieschen ons allen boven
den gootsteen, en daarbij moest de een op den ander wachten. 't Ontbrak
dan niet aan aansporingen, om wat spoed te maken, aansporingen in de
bekende ruwe jongenstaal, overgenomen van de volwassenen. Ik had de
minste haast, bleef het langste in bed, en lag dat heele gescharrel aan
te zien of speelde in mijn eentje scheepje. Het bed was het schip, de
stoel er naast het bootje.
't Ging onder de jongens ruw genoeg toe. Zelden werd er een bij zijn
gewonen naam aangesproken. Ieder had een karakteriseerenden bijnaam,
een scheldnaam, die een zijner ondeugden of gebreken signaleerde, doch
waarnaar hij niettemin gewoon luisterde. Dat hoorde je niet eens meer.
De een heette, echt, Theodorus. Dat wil zeggen: Gave Gods. Maar, gesteld
dat de anderen die beteekenis geweten hadden, wie hunner had in dezen
kameraad een Gave Gods geëerd? De jongens zagen in hem heel wat anders
en benoemden hem daarnaar. En dat vond hij tenslotte heel best.
De naamgeving onder 't volk is zoo geheel anders dan die bij de
geboorte-inschrijving. Bij deze laatste slepen we de reeds lang vergane
eeuwen mee. Wie zou het nu in zijn hoofd halen, een kind met zoo'n ouden
Griekschen naam als Theodorus te belasten. Maar zoo wil de gewoonte,
de kultuur. De natuur doet echter anders. Reeds in de jonge moeder.
Met allerlei naampjes streelt ze en vleit ze haar kleinen lieveling.
Dag schat! Dag lieve pop! Dag hartje! Dag kleine bruinoog! Dag
diefje-van-je-vaders-nachtrust! Dag lekker diertje! Zoo gaat het
maar door, terwijl de deftige naam Theodorus weggesloten ligt op het
geboortebriefje in Vaders kassette.
En zoo werkt het ook in de jeugd. Ze vertolkt haar indrukken en
stemmingen in de naamgeving. Ten onrechte noemt men dat schelden. Dat
hierbij steeds roode haren en andere uiterlijke kenteekenen herdacht
worden, spreekt vanzelf. Hoe zal men een rooie nu beter noemen dan
rooie. Dat is zijn beste onderscheiding. De fout is, dat volwassenen de
kinderen leeren, in roodheid of gebocheldheid of een andere afwijking
iets zedelijk minderwaardigs te zien en hen voorgaan in geringschatting.
Niet in het opmerken, benoemen en aanwenden der eigenaardigheid zit
de fout. Integendeel, dat zijn drie deugden. Het opmerken toont
onderscheidings-vermogen en belangstelling, het benoemen bewijst juist
taalgevoel, en het aanwenden geeft blijk van praktischen zin. Maar de
volwassenen gaan den kinderen voor in een valsche waardeering, in een
liefdeloos oordeelen, in een hatelijk toerekenen. En is 't wonder, dat
de kinderen dit voorbeeld volgen, en aldus een natuurlijk geestelijk
proces bederven door een onzedelijk bijmengsel?
Wie ziet, hoe gemakkelijk de jongens en ook de ruwere arbeiders zich
wennen aan hun bijnamen, maakt daar niet veel drukte over. De wijze,
waarop zoogenoemd beschaafde volwassenen in krant en vergadering malkaar
uitmaken, is ja wat hatelijker.
* * * * *
Het was een aardig gezicht, tusschen al die duwende en grauwende jongens
mijn oudste zuster te zien doorscharrelen. Zij moest ook al vroeg op,
meisje van 15 à 16 jaar. Dan ging ze naar beneden, om thee te zetten.
Wat heb ik vaak, warm onder de wol, dat vriendelijk bedrijf rustig
aangezien. Dan ging ze eerst naar den vuurhaard. Dat was een ijzeren
pot op een »stookkacheltje". Het houten tafeltje, van een bizonder
model, stond onder den schoorsteen, en droeg den vuurpot, een gewonen
ijzeren pot op drie pootjes.
De pot lag vrij vol met asch. Daaronder waren den vorigen avond een
paar harde turven »ingerekend". Die hadden den heelen nacht zachtjes
gesmeuld, en nu was het eerste werk om dat vuurtje »op te rakelen".
Dan kwamen er een paar gloeiende kooltjes te voorschijn. Was het vuur
te ver weg, dan werden er uit den doofpot, naast den haard, een paar
»doove kolen" genomen, gedoofde doorgloeide turven, en daarmee het vuur
opgehaald. En was de doofpot leeg, dan liep je even gauw naar den bakker
aan den overkant, om een paar centen »doove kolen" te koopen, hij had
ze in voorraad, of naar de water-en-vuurvrouw, om een cent of een halve
cent vuur, in een verglaasd groen steenen testje. Honderden malen heb
ik die boodschappen gedaan, want, na al het beleden en het nog te
belijden kwaad, mag ik ook wel eens mijn deugd vertellen van heel groote
bereidwilligheid. Nu ja, ik pruttelde wel, als ik zoo ineens uit mijn
spel werd gehaald, maar nooit deed Moeder of Zuster een vergeefsch
beroep op mijn hulp. Is het niet wonderlijk? Op school stond ik zeker
bekend als een brutale schooier, en thuis--ik _kon_ mijn moeder of
zuster niets weigeren, ook al wilde ik dit natuurlijk. »Jan, ga jij
eens gauw naar...."--»Moet _ik_ nu al weer?"--»Toe, Moeder wacht er
op."--En ik ging al. Ik weet zeer positief, dat ik heel gehoorzaam
was, en het is me ook later vaak genoeg verzekerd. Ze konden alles
van me gedaan krijgen. Een vriendelijke vraag--en ik moest het doen.
Anders lag die vraag toch als een toenemende onrust, een aanzwellend
verwijt, in mijn gemoed. Ik _moest_--niet door buitenafschen dwang,
maar door innerlijken, onontkoombaren noodzaak. Mijn moeder en
mijn zuster begrepen dit best en handelden er naar. Ze konden zoo
onontvluchtbaar--vragen. Niets anders dan vragen. En die meester
op school--hij kwéékte verzet--hij máákte ongehoorzaam.
Hier moet ik eens even iets schattigs vertellen van een jong
onderwijzeresje, die wat bij ons in de Tullinghstraat volontairde.
Ze zou in de elfde klas eenige weken achtereen lesgeven. Daarin zaten
lastige jongens van 11-13 jaar. Een der lastigste was Jan B. En toen
zei dat onderwijzeresje, ze was zelf misschien pas 18, op een keer
onder schooltijd tegen Jan: »Zeg Jan, je moet me een beetje helpen.
Je moet niet vergeten, dat ik zelf ook nog maar jong ben. Ik moet het
nog leeren." En dat zei ze zoo vertrouwelijk en vertrouwend, dat Jan
een kleur kreeg en haar hielp, door op zichzelf te passen.
Ik weet wel, dat dit weer precies het omgekeerde is van wat de
paedagogiek noemt: »je gezag hooghouden". Maar zij _hield_ er haar gezag
mee hoog. Dat was de ware hooghouderij. En Jan zat gevangen in zijn
eigen grootmoedige bereidwilligheid.
Anderen noemen dit slimme politiek. Maar wanneer ze het als zoodanig
willen nadoen, mislukt het. Politiek slaagt niet in de opvoeding.
Integendeel, ze wreekt zich.
Het was zuivere harte-paedagogiek. Zichzelf gewaagd, om den jongen te
winnen. Zichzelf gewaagd, niet in zwakheid, maar in kracht.
Doch ik zou bij dat alles haast mijn zuster en de doove kolen vergeten?
Toch niet. Ik had hier echter een kooltje onder de asch, dat ik eens
even moest oprakelen. Misschien kon iemand er zich aan warmen.
En nu weer naar den vuurhaard.
* * * * *
Waren de kooltjes opgerakeld, dan werden er twee »talhouten" op gelegd,
zoo, dat ze buiten den rand van den pot uitstaken, net twee houten
breipennen, zooals meisjes die altijd, links en rechts, in de holten
tusschen duim en wijsvinger laten liggen, en met een zwavelstokje werd
er een vlam gemaakt. De zwavelstokjes kocht je in bundeltjes van een
cent of een halve cent, en bewaarde je in een ophangdoosje tegen den
muur naast den haard.
Later leerden we, in onzen kweekelingentijd, van akkermaalshout, van het
kappen daarvan om de zeven jaar, van het afschillen, 't voeren naar den
runmolen en van de run naar de leerlooierij, en _ik heb nooit geweten,
dat ik dit gekapte akkermaalshout reeds als kind zelf menigmaal op den
aschpot had gelegd_. Dat hoefde je ook niet te weten, als je _je les
maar kon opzeggen_. Voor die kennis kreeg je niets, maar voor die
opzeggerij een 9 of een 10.
Hoe ik dit dan later te weten ben gekomen? Door een boerenknecht. Die
vertelde 't me. Die stomme boeren zijn vaak beter onderwijzers dan de
geleerde schoolmeesters.
Ook de zwavelstokjes hadden me iets kunnen vertellen. Zij hadden vroeger
op het veld gestaan, toen ze nog deel uitmaakten van de hennepstengels.
Wanneer van deze hoog uitgeschoten plantjes de zaadjes waren
verwijderd--hennepzaad--en de bastvezels waren los geweekt voor de
touwslagerij, gebruikte men den gedroogden houtachtigen stengel nog
om er stokjes van te snijden of te hakken, holle stokjes van een of
anderhalven decimeter lang. Die werden met beide punten in den gesmolten
zwavel gedoopt en zoo kreeg je de zwavelstokjes. Mooi woord. Zoo
eenvoudig. Zoo alleszeggend. En als je ze, zuinigheidshalve, langs de
lengte in vieren knapte, hoorde je en voelde je tusschen je vingers
zoo'n stokkerig geknap.
»Een borreltje ineens, maar een zwavelstokje in vieren," zei de
zuinigdoende drinkverkwisting. Mijn zuster nam een zwavelstokje, stak
het aan in 't vuur, ik zag de blauwe vlammetjes, rook den zwavel. Een
poos later vlamde het in later jaren zoo geleerde eikenhakhout en na een
half uurtje kookte het water. De ketel hing aan een ijzeren ketting, die
vastgemaakt was aan een dwarsliggende ijzeren stang in den schoorsteen.
Nu werd de thee gezet, ook al zoo'n heerlijk ding om stil te liggen
aankijken. Het kringelende water stroomde met een boog in den trekpot,
damp vulde den keuken, damp en theegeuren, en na vijf minuten liep mijn
zuster met kopjes thee rond, eerst naar boven voor vader en moeder, dan
voor de jongens, en als ik heel zoet was, kreeg ik ook wat, met veel
suiker en melk. Die lieve Christine. Zij droeg haar naam met eere. Zij
was zoo'n echt christinnetje, want ze schold haar broertjes niet uit,
maar gaf ze kopjes thee met veel suiker en melk. En nu is het wel waar,
dat daar soms een klein beetje omkooperij bij was, maar dat kwam door
den nood der omstandigheden en ons eigen booze, onwillige hartje. Bij
háár was het zuivere neiging om ons wat zaligheid te brengen. Ze vond
het zelf zoo heerlijk als ze ons goed kon doen. En zeg nu eens eerlijk,
is dat niet het wezen van het christendom? »Alzoo lief...." we kennen
toch dien wonderrijken tekst? Maar we vergeten, dat deze zelfde tekst,
als we hem later uit het vragenboekje droog moeten memoriseeren, ons
reeds lang bekend was, en net zoo dicht bij ons was geweest als de
eikenhakhoutjes in den aschpot. Die tekst was ons al genaderd in de
lieve zorg, in de koesterende liefde van dat zwoegende christinnetje.
Wee, als het christendom niet gepredikt wordt door u en mij, in daden.
Dan is het dood. En die daden behoeven niet de wereld te verbazen. Als
ze de harten maar winnen. Ons Christientje was een zendelingetje, en
haar preek was een kopje slappe thee met véél suiker en melk.
* * * * *
Tot de keukenherinneringen behoort ook het naar bed gaan 's avonds.
Moeder of Zus bracht ons naar bed. Bij het uitkleeden treuzelden we
altijd. Maar er gingen klontjes of andere lekkernijen mee naar beneden.
En dan was het: »Als je je nu gauw uitkleedt, krijg je een klontje."
Dat zette er gang achter. En in een wip waren we uitgekleed.
Dan knielden we bij den stoel neer en zeiden ons gebedje op:
'k Leg mij om te slapen neder,
Goede God, die altijd waakt.
Wil mij door Uw gunst bewaren,
Als het kwade mij genaakt.
. . . . . . . . . . . . . . . . .
Dan leg ik mijn hoofdje neer.
Doe mij niet angstvallig vreezen,
Want Gij zijt mij heil, o Heer!
Neem mijn ouders en mijn vrinden
In bewaring dezen nacht,
Opdat morgen bij 't ontwaken
U de lof zij toegebracht.
Amen.
Amen! We gaven Moeder of zus een nachtzoen, en sprongen in bed.
De invloed van dat gebedje was heel kalmeerend. We zeiden het op met
eerbiedige stem, en langzaam. Ik weet nog heel goed, dat ik minder aan
de woorden dan aan den hoofdinhoud dacht. En dat blijkt ten overvloede
uit de misvorming van het ons onbegrijpelijke woord »angstvallig",
waarvan wij altijd maakten: als-val-ik. »Doe mij niet alsvalik vreezen."
Maar deze bede tegen het alsvalik vreezen stemde ons misschien nog meer,
en juist door dat plechtige, onverstaanbare woord. Hoofdzaak was, dat we
ons nederlegden onder Gods afgebeden bescherming, en die hoofdzaak
voelden we.
Later kwam de kritiek. Waarom moest God mij bewaren tegen het kwade, dat
mij genaakte? Was het dan niet beter, dat God, de Almachtige, dat kwade
maar dadelijk vernietigde of het niet eens liet opkomen? En waarom
moesten juist mijn ouders en mijn vrinden bewaard worden en niet die van
een jongetje, dat niet geleerd had te bidden? En als nu mijn ouders of
vrinden eens ziek werden of stierven, moest God dan geen lof worden
toegebracht? En wat dan wel?
Zooals ik zei, aan die kritiek dachten we niet, en het gebedje bracht
ons in een rustige, vredige stemming. Daarom zegt menigeen: zoo'n
gebedje hindert de kinderen niet, het doet hen goed, het kweekt in hen
een eerbiedige, godsdienstige gezindheid aan, het schenkt hun rustig
vertrouwen. Dit is alles waar. En toch ben ik tegen zulke gebedjes,
tenzij ze onberispelijk zijn. Want ze blijven het kind bij, de vorm
gaat met de jaren mee, en dan hinderen ze het kind wél. Dan gaat het
kind vragen, kritiseert zijn biddende woorden, en verwerpt ze. Ik weet
wel, je hebt kinderen en menschen, die nooit vragen, nooit kritiseeren,
nooit verwerpen, die jaar in jaar uit dezelfde woorden prevelen,
gedachteloos, alleen drijvend op wat klanken. Maar het is zeer de vraag,
of zij, die nooit vragen, ook wel ooit aan God hebben gevraagd; of de
nooit kritiseerenden wel ooit hun eigen zielloos formalisme gekritiseerd
hebben; en of zij, die nooit verwierpen, wel ooit hebben aangenomen.
Men zij voorzichtig met het formuleeren der godsdienstige waarheden in
kindertaal. Iedere zielkundige onjuistheid kan zich later wreken. Veel
beter acht ik het, het kind half begrepen of onbegrepen woorden te
leeren waarvan de inhoud hem bij 't ouderworden steeds meer bewust wordt
en wier rijke beteekenis hij met toenemende instemming zal beseffen
als 't leven hem wijzer heeft gemaakt, dan hem nu met begrijpelijke
onjuistheden te voeden. Moedermelk--de mooie vergelijking is van
Paulus--moedermelk is _dezelfde_ spijs als volwassenen ontvangen, maar
in anderen vorm. Men mag de kinderen geen godsdienstige of zedelijke
waarheden inprenten, die ze later niet kunnen handhaven.
Hoe, naar mijn meening, de groote waarheden in kindervorm tot het kind
gebracht moet worden, kan ik illustreeren met een heel simpel versje uit
»Ot en Sien".
»Gij zult niet begeeren uws naasten huis, noch.... iets dat uws naasten
is."
Dit ethische voorschrift kennen we. Maar ons hart zit vol ongeoorloofd
begeeren, en niet alleen naar 't geen onzes naasten is, maar ook in 't
algemeen naar 't geen ons en anderen nadeelig is. Hoe moeten we ons
wapenen tegen de telkens dreigende verzoeking? Vondel zegt het:
Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht;
Zy loert, zy loert, om in te vaeren.
Sluit d'oogen, vensters van het licht,
Indien ghy wilt uw hart bewaeren.
Dit gevaar geldt voor klein als groot. En daarom moet ook de vijfjarige
Ot op zijn hoede zijn, als hij met Sientje suiker gaat koopen voor
Moeder. Die suiker is zoo lekker, zoo verleidelijk lekker. Dat weten een
paar oudere vrindjes van Ot best, ze zijn ook jong geweest. En daarom
waarschuwen ze nu. Als Ot met Sien op een stoep gaat zitten, om even in
't zakje te kijken, zeggen zij: Neen Otje,
$Ook niet kijken.$
Hij wil er maar even in kijken. Maar dan?
Als Ot dan zijn vingertjes deed in den zak?
En die dan weer gauw bij zijn tongetje stak?
O Otje, o Otje, wat kwam daar dan van?
Dan had Ot gesnoept van de suiker van Moe!
Neen ventje, laat jij dus het zakje maar toe.
Vondel zou zeggen: »Sluit voor Begeerte uw graegh gezicht." Wij zeggen:
»Ook niet kijken. Laat het zakje maar dicht, mijn jongen!"
* * * * *
Het ging niet altijd zoo vredig toe daar beneden. Soms bleven mijn
broer en ik samen spelen. Dan waren we Indianen of Batavieren, smeten
malkaar met hoofdkussens, worstelden om malkaar uit bed te krijgen
en--in de benauwde bedstede--knauwden we malkaar en schreeuwden daarbij
zoo hard, dat ze 't boven konden hooren. Moeder of een ander trapte dan
op den vloer en we hielden ons een oogenblik koest. Maar straks begon
het spektakel weer, totdat Vader eindelijk driftig werd en naar beneden
holde. Dan schoten we gauw onder de dekens en verstopten daar ieder
lichaamsdeel, dat maar geschikt was om geslagen te worden. In den blinde
sloeg Vader er op los, met zijn hand, en ook wel met zijn pantoffel.
Maar wol was een slechte geleider. De slagen deden ons geen pijn, en
in plaats van het uit te schreeuwen van verdriet, barstten we uit in
gesmoord lachen.
Dat maakte Vader nog woedender, en een hagelbui van klappen brak in de
nauwe bedstee los. Maar wij konden het heusch niet helpen. Ons lachen
was geen opzet, geen oneerbiedigheid, en nog veel minder plagerij, we
hadden 't graag bedwongen, deden er ook ons best toe, maar we konden
't niet inhouden en stikten onder de dekens van telkens hernieuwde
lachvlagen. Totdat eindelijk een slag goed raak was. Dan keerde 't
spelletje plotseling. Een luid gekerm ging op, en meteen eindigde het
slaan. Vader was bevredigd. Niet omdat hij ons pijn had gedaan, dat
wisten we zelf wel beter, maar omdat hij die lacherij had bedwongen.
Zijn drift had het gewonnen op onze overspanning, nu kon hij gekalmeerd
aftrekken.
Bij ons was de pret er af, en we gingen slapen. 't Was een harde toer,
om onder die omstandigheden te bidden: »Neem mijn ouders in bewaring
dezen nacht," waar de eene helft van die ouders je zoo had afgerost
en de andere helft je niet eens kwam troosten. Maar we durfden 't
gebed niet nalaten. Vader mócht dien nacht eens sterven. En ofschoon
we hem eigenlijk onze voorbede niet gunden, baden we toch. Maar met
afkeerigheid in 't hart. We zeiden echter onzen regel gehoorzaam op,
zoodat Onze lieve Heer ons later niet voor de voeten kon werpen: Nu is
je Vader ziek geworden, omdat jij niet gebeden hebt. We voldeden aan den
vorm. Ziedaar puur bijgeloof. De aangeleerde regels waren ons een amulet
geworden, waarmee we het kwaad konden bezweren.
Toch flitste het al heel vroeg door mijn hoofd, dat zoo'n gebed toch
niet aangenomen werd, en ik herinner me den strijd tusschen mijn
afkeerig hart en mijn kinderplicht. Gewoonlijk won de laatste het en
waren we met Vader al weer verzoend, lang voor we insliepen. Om de
waarheid te zeggen, we rekenden hem die klappen niet zoo ernstig toe.
We wisten dat hij driftig was, vreeselijk kon opstuiven, maar waren ook
volkomen zeker van zijn goedhartigheid. En dan tel je een klap niet zoo
zwaar. Maar 't gebeurde toch ook wel eens, dat we in wrevel en boosheid
gingen slapen en 't maar eens zonder gebed waagden. Dan waren we den
volgenden morgen blij verrast, dat er niets noodlottigs was gebeurd.
Toch was er iets onrustigs in ons: we hadden met het leven van Vader
gespeeld, en zulks uit pure boosheid. O, als God Vader nu eens had
weggenomen!
Er gaan in een kind veel meer van zulke overleggingen om, dan de ouderen
denken. Men behoeft met een kind niet te redeneeren. Het redeneert met
zichzelf, ook al formuleert het zijn meeningen niet. Een kind redeneert
in gevoelens, in neigingen--wat trouwens de volwassenen ook doen--en
onze zorg moet zijn, die redeneering niet te verstoren. Heilig hun
willen, en laat ze dan maar aan zichzelf over. Wel is het goed, ze nu en
dan te helpen met het bewustmaken der opborrelende waarheden. Maar dan
redeneert men er geen opinie _in_--dan redeneert men er juist een opinie
_uit_. Wat in de diepte sluimerde, komt naar boven en naar buiten. De
kleur van kersen en appelen komt immers, op haar tijd, ook van binnen
naar buiten? Verf geen groene appeltjes rood. Zij verven zichzelf.
De klappen van mijn Vader hebben nooit afbreuk gedaan aan onze liefde
voor hem. Maar wel aan ons respekt.
We begrepen, dat hij ze in drift gaf, beseften dat wij die drift hadden
opgewekt, en--let wel--vergaven hem daarom de klappen. Niet vormelijk,
maar in ons hart.
Men beweert vaak, dat de kinderen een kastijding in dank aannemen, de
liefde er in erkennen, en straks de tuchtigende hand zegenen, de roede
kussen.
Zoo ver heb ik het nooit gebracht. Ik betwist de mogelijkheid niet,
maar mijn ervaring ziet door zulke dankbaarheid geen enkel plaatsje
in mijn leven bezet. _Nooit_ heb ik de slaande hand gezegend. _Nooit_.
Wel--de hand Gods. Maar dat is immers héél iets anders? De slaande hand
Gods--dat is de rechtvaardige straf voor onze euveldaden, de verdiende
gevolgen van ons kwaad.
Er heerscht gerechtigheid in ons leven. Zoek bij ieder leed uw zonde.
En ge vindt ze. Ik heb tenminste in mijn eigen leven--en alleen
daarover kan een mensch oordeelen, wat weet ik van uw innerlijk
leven?--ik zeg, dat ik in mijn eigen leven nooit te vergeefs heb
gezocht naar de zedelijke (de onzedelijke) oorzaak van mijn leed.
Maar die rechtvaardigheid heb ik in de menschelijke straffen nooit
kunnen erkennen. Daarin werkte wel mijn kwaad als oorzaak, maar
vooral niet minder de ontstemming, de drift, de gemakzucht en zelfs
het plichtsverzuim der bestraffers. Heel wat straf voor de jongeren
is eigenlijk verdiend door de ouderen, die zich aan die jongeren niet
hebben gewijd, die te kort zijn geschoten in hun opvoedingsplichten.
Dit nu heb ik al heel vroeg gevoeld--en dat zal wel bij meer kinderen 't
geval zijn--en daarom is het hoogste, waartoe ik het heb kunnen brengen,
dat ik mijn Vader zijn drift en zijn klappen vergaf. Maar er dankbaar
voor zijn? Nooit.
Men voelt wel, waarom ik mijn vroegeren meester zijn slaan _niet_
vergeven kon. Dat was heel iets anders. Die maakte van zijn slaan een
gewoonte, een voldoening, een nijdig genot. Vader sloeg uit drift. Je
zag, dat hij er zelf geen plezier in had. Hij sloeg, omdat die bengels
hem het bloed uit de teenen haalden. En straks was hij weer aardig tegen
je en goed en hartelijk. 't Verschil was niet, dat de een je meester en
de ander je vader was, want ik heb jongens gekend, die hun vader zoo
veroordeelden als ik mijn meester, maar 't verschil was: de een toonde
een hart voor de jongens te hebben, en de ander niet. Dat is alles. Maar
dat is dan ook allesoverheerschend. Al je daden worden door je hart
gekleurd. En zoo kunnen twee precies gelijke daden, bij twee volkomen
tegengestelde personen ook precies het tegengestelde van elkaar zijn.
Zuivere rechtvaardigheid beoordeelt daarom naar het hart.
We vergaven Vader dus zijn klappen. En die houding van onze
vergevingsgezinde kritiek heeft mij geleerd, dat een volwassene een kind
niet slaan moet. 't Is ook niet noodig. Wie _met_ klappen kan opvoeden,
kan 't ook _zonder_. En wie 't niet _zonder_ klappen kan, kan 't ook
niet _met_.
Maar laten we elkaar goed verstaan. Ik zeg: opvoeden. Ik zeg niet: de
baas blijven. Want ja, dan zijn er, die bij hun opvoeding dit middel
soms noodig hebben, door gebrek aan paedagogischen kultuur en--aan tijd.