»De weg van school naar huis was voor vermoeide, overprikkelde jongens
vol verleidingen."
Die verleidingen waren van een gansch andere soort dan die ons bekoorden
als wij van huis naar school gingen. Op den heenweg naar het gehate
gebouw lokte ons elke boom naar buiten. 't Was of iedere vogel ons riep:
»Je gaat den verkeerden kant uit. Je moet niet naar dat muffe hok. Je
moet naar de paden, naar de slooten, naar de velden. Je moet de ruimte
in." Het was wel moeilijk, aan die roepstemmen geen gehoor te geven.
En dat bleef zelfs een strijd voor me, toen ik al lang onderwijzer
was. Naar school of daar buiten? O, dat buiten trok zoo. Het zoog je
letterlijk den verkeerden kant op. En je moest je wel erg schrap zetten,
om door die zuiging niet te worden meegevoerd. Ik kan me dan ook best
een landlooper begrijpen. Een _land_looper, niet een straatslijper.
Zoo eentje, die 't veld in trekt. En eigenlijk geloof ik, dat er een
landlooper aan me verloren is gegaan. Daarom ben ik maar ambulante
bovenmeester geworden. Dat leek er nog een beetje op. Niet waar?
Maar 's middags op den terugweg naar huis, dan lokte ons geen boom,
of 't moest zijn om er in te klimmen, dan riep ons geen vogel, of 't
moest zijn om hem met steenen te smijten. 's Middags was er niets in
ons van de natuurzieke zwervers. Alle gevoeligheid en groenliefde was
dik geworden als stroop in den winter. Ze konden niet meer vloeien. Ze
lagen als onbewegelijke massa's in ons gemoed. 's Middags, dan was de
strijdlust in ons wakker. Dan was iedere jongen van een andere school
een brutale uittarting, alleen reeds door zijn verschijning. Dan was
iedere winkeluitstalling een booze geest, die helsche vernielplannen in
ons wakker riep. Dan daagde iedere dienstmeid ons uit met emmers water,
die zij 't hart had op haar eigen stoep te zetten, of met huistrapjes,
waarop zij de vrijpostigheid nam naar boven te klimmen voor 't
glazenlappen, of zelfs met boodschappenmandjes, die ze zoo schaamteloos
met den elleboog vasthield of aan de hand liet neerhangen. Dan was
iedere onbeheerde handwagen een voorwerp, om een eind meegesleept te
worden, ieder appelvrouwtje bestemd om te worden bestolen--niet uit
steelzucht, maar uit loutere baldadigheid--, dan was iedere belknop een
magneet voor jongenshanden, verstijfd door 't samenvouwen op den rand
der schoolbank, dan was iedere deur het opentrappen waard, vooral de
winkeldeuren met een rinkelende bel; dan was iedere gebochelde, iedere
kreupele een model voor klassikale nabootsing, dan was zelfs iedere
politieagent een mikpunt voor stukjes stopverf of voor hatelijke
schimpscheuten. 's Middags, dan was de duivel in ons wakker, dank zij
vijf uren van onderwijs overeenkomstig den geest der wet, die sprak van
»opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden".
De heeren politici in vergaderzaal en krant hebben over die
»christelijke en maatschappelijke deugden" heel wat geredeneerd.
En de schoolmeesters in navolging van hen. Wat waren het toch, die
»christelijke en maatschappelijke deugden", waarin bestond toch het
verschil tusschen beide. Men dreef er den spot mee. Men speelde er een
dialektisch spel mee. Men maakte er politieke kaatsballen van, zooals
zelfs van nog veel heiliger dingen. En intusschen liet men de jeugd
verdrogen, verschrompelen. Intusschen werden de kinderen vernield.
Het ware te wenschen geweest, dat men van die »christelijke en
maatschappelijke deugden" ernst had gemaakt, waarachtigen ernst.
Mijnentwege hadden de onderwijzers het fijne onderscheid tusschen
beide deugdrubrieken mogen voorbijzien, als ze die deugden maar hadden
aangekweekt, door ze te beoefenen. Een beetje christelijkheid, ook in
de christelijke school, zou voor ons zoo goed zijn geweest. Al was 't
maar een klein beetje. De christelijkheid van »Laat de kinderen tot Mij
komen En verhinder ze niet". Maar wij--werden verhinderd.
Zij hadden ons met _woorden_ wel gedreven,
Maar hebben ons verhinderd met hun _leven_.
* * * * *
Vechten was onze hoofddeugd, op school met den meester en op straat met
de heele geordende maatschappij. En dan in 't bizonder met de jongens
van andere scholen. De Noordermarkt was ons slagveld.
Eerst moet ik echter iets vertellen van een onzer acrobatenkunsten daar,
een kunst, die ik maar zelden, of eigenlijk nooit meer in beoefening heb
zien brengen. Op dit marktplein stonden paaltjes en wel twee soorten:
steenen met koppen als halve bollen en houten met koppen als halve
liggende cilinders. Nu was het de kunst, op zoo'n paaltje te klimmen,
zonder door een kameraad te worden geholpen, daarna er op te staan,
eindelijk van het eene op het andere te stappen, en ten slotte de heele
rij af te loopen. Men moet daar niet min over denken. Het eischte met
elkaar uren en uren van geduldig oefenen, en dat onder de bedreiging
van altijd vijandige agenten of marktmenschen. »Wil je bliksemsgauw
opdonderen", lag in ons gehoor bestorven. Maar wij »donderden op",
net als de musschen voor een paard en rijtuig om dadelijk weer »neer
te donderen" als de bedreiging voorbij was. En onder dat »op- en neer
donderen" oefenden we ons, geduldig, taai, volhardend. Met twee handen
hield je den kop van 't paaltje vast. Dan trok je je op, legde heel
voorzichtig je rechterknie er op, dan je linker, beide knieën tusschen
je handen. Nu de handen loslaten, den romp strekken, en zoo op je
knieën liggen. Ik beloof je, dat het een toer was. Maar het ging. Zelfs
maakten we in die houding allerlei grimassen, zwaaiden met de armen
als vliegende vogels, wierpen de marktvrouwen kushandjes toe. Doch nu
verder. Weer de rechterknie opgetrokken, op de linker gebalanceerd, den
rechtervoet naast de rechterknie gezet--romp rechtop, even rusten--en
het heele rechterbeen gestrekt, daarmee vanzelf het linkerbeen
opgetrokken, en op het rechterbeen gestaan, rechtop terwijl het
linkerbeen wat bewegingen maakte, om het lichaam in evenwicht te houden.
Honderd- en duizendmaal zijn we er zeker afgevallen, afgegleden,
afgesprongen, eer we eindelijk stonden, maar we hielden vol. Dát was
gymnastiek, ja wat beter dan om de vijf minuten een zwaaitje aan de
ringen. We zagen rood van inspanning, maar rustten niet eer het doel
bereikt was. Nog voel ik in mijn armen en beenen _den wil om te winnen_,
die toen aan 't werk was. Geen eerzucht, geen ijdelheid, al kwam er
later natuurlijk wat pralerij bij, maar _zegezucht_. Geheel in ons
eentje, ongezien, oefenden we ons op ieder paaltje, hoe lastiger hoe
liever. En dat deden we niet om een bewust doel, als een soort plicht,
maar omdat we 't niet laten konden. We verloren ons er in--zooals
een dichter in zijn verzen, een schilder in zijn verven. Wij maakten
ons jongenskunstwerk, met onvermoeibare zelfovergegevenheid. En zoo
presteerden we ten slotte het onmogelijke: we liepen over de koppen van
paaltjes, ongeveer een kleinen meter van den grond, en bijna een meter
van elkaar. En daar liepen we met een zekerheid en een gratie--want in
zulke kunsten zit een natuurlijke gratie, anders zijn ze onmogelijk--die
in ons de lenigheid en de schoonheid ontwikkelden, de zelfbesturing en
het zelfvertrouwen, _maar die door de volwassenen niet begrepen werden_.
De houten paaltjes met rolronde koppen waren de moeilijkste. De
bolronde van de steenen hadden aan alle zijden een aanpakvlak voor den
naderenden voet, maar die andere--men stelt het zich toch, hoop ik,
wel voor?--konden maar van één zijde benaderd worden. 't Was dan ook
de hoogste triomf, als je over de houten voortstapte, en dat werd nog
mooier als er tusschen die paaltjes ijzeren stangen liepen of ijzeren
kettingen hingen, kettingen met ijzeren punten. Dan liep je ieder
oogenblik gevaar, een breuk te vallen of je op andere wijze aan dat
ijzer te kneuzen. Maar dat maakte het genot nog grooter.
Denkt de verbiedzieke volwassene er wel eens aan, dat iedere nieuwe
belemmering nieuwe aanvalsdriften oproept?
* * * * *
Welken medescholier herinner ik me nog met naam en toenaam?
Het is Hendrik Busman.
En waarom is hij het? Omdat hij zoo goed leeren kon?
Maar denkt iemand nu heusch, dat we ons dáárom bekommerden?
Hendrik Busman werd vereeuwigd om dezelfde reden als De Ruyter, Tromp,
Piet Hein. Omdat hij zoo goed vechten kon.
Ik zie hem nog staan, boven op een hooiwagen. 't Was op dezelfde
Noordermarkt. Daar leverden we onze veldslagen, gelijk de mogendheden
eertijds in de Zuidelijke Nederlanden.
Hendrik Busman stond op een hooiwagen, boven op de lading hooi. We
bleven beneden op de straat en wierpen hem steenen toe. Dat waren de
projectielen, waarmede hij, van zijn hoog standpunt, den vijand
bestookte. Die bleef op een eerbiedigen afstand.
We droegen houten sabels, met punten er aan. Die staken we op zij, door
een riem. Echte officieren. Soms maakten we een charge. Met getrokken
sabel renden we dan op den vijand los. Die sloeg op de vlucht, niet
bestand tegen ons élan. Enkele dapperen konden echter zoo'n schandelijke
vlucht niet verdragen. Ze bleven staan, het zwaard in hun vuist.
Blindweg sloegen ze in 't rond. Dan kwamen hun verjaagde makkers weer
terug. De moed van enkelen--niet waar?--_de moed van enkelen_ is _de
kracht van allen_. En als ze dan, in hun heldhaftigheid, van het verweer
tot den aanval durfden overgaan, dan holden wij weer weg, tenminste de
groote hoop van ons, dan keerden de kansen, totdat ook _onze_ helden hun
leven waagden.
Twee dingen weet ik van die vechtpartijen met volkomen zekerheid.
Vooreerst, dat het vechten heilige ernst was en te gelijk de prachtigste
komedie.
Het was ernst. We voelden ons in oorlog. Den heelen dag spraken we er
over. We wisten van den vijand alleen kwaad. Ze waren »schooiers" of
»kalen", al naardat ze tot een armere of een rijkere school behoorden.
We bluften op onze heldendaden, we smaalden op hun lafheid. En we
dachten aan niets dan aan den krijg. Hoe de oorlog was aangekomen,
wisten de meesten niet. Er ging alleen een gerucht rond van een of
andere »gemeene streek" of verregaande aanmatiging. Dat was voor de
massa genoeg. Die vroeg niet naar een casus belli. Het feit alleen, dat
er oorlog was, joeg ze al te hoop. Ze vond het heerlijk, in groepen rond
te zwerven, stokken of riemen te zwaaien, en den vijand na te rennen.
En toch was het komedie. We pasten wel op, dat we geen jongen gevaarlijk
raakten. Ja, met een stok of riem tegen de beenen, hoogstens tegen den
romp slaan. Maar nooit tegen zijn hoofd. En ook nooit een trap tegen
zijn buik of een stomp in zijn hartstreek. Wie zoo iets deed, stond
eigenlijk bij ons in minachting, ook al behoorde hij tot de onzen. Er
was een ongeschreven jongenswet, waarin onridderlijke daden verboden
waren. Ik denk, dat we dit niet aan de school dankten, maar aan de
grootmoedigheid van onze boekenhelden.
Volwassenen maakten zich soms ernstig bezorgd over ons vechten. Totaal
overbodig. Want het was bijna uitsluitend parade en bluf. Grootdoenerij.
Een gelegenheid om te hollen, te schreeuwen, te zwaaien, te smijten. En
de oorlog stierf zijn eigen dood. Ik weet van geen enkelen oorlog, die
met een verklaring begon en met een vrede besloot. Hij ontstond en
verdween, als de stormen in de atmosfeer.
Maar dan was er nog een tweede ding, dat ik nu, uit de verte, heel
duidelijk zie. Al waren er ook veertig, vijftig, en meer jongens bij
betrokken, eigenlijk draaide de heele beweging om een paar. Als zij
voorgingen, volgden de anderen. Als zij verslapten, dropen allen af.
Niet alleen onder de schapen heb je de belhamels. Die schijn je bij alle
»gezellig levende dieren" te hebben. En de mensch is zoo'n gezellig
levend dier. Let op de belhamels. In hen heb je de kudde!
* * * * *
Erger dan het vechten was onze baldadigheid. Eén voorval herinner ik me
nog heel levendig.
Misschien weten de meeste volwassenen niet eens, dat je in de raamposten
gaatjes hebt--of hadt--aan elken kant een. Die dienden, geloof ik--we
kregen toen nog geen zaakonderwijs--om er pennen door te steken, die 's
nachts de buitenblinden moesten vasthouden.
Nu was er in de Westerstraat een porcelein- en glaswinkel, waar we zulke
gaatjes ontdekt hadden. Als je door het gaatje een dun stokje stak,
kwam dit aan de binnenzij te voorschijn en dan kon je er iets in de
uitstalling mee omduwen, een glaasje, een kopje, een vaasje of een ander
niet te zwaar voorwerp.
Dat deden we. Heel onschuldig bewonderden we de uitgestalde waar, maar
staken inmiddels de stokjes door de gaten en duwden. Tuimelde er een
ding rinkelend om, dan holden we hard weg.
Eens stonden we weer voor het raam, werkten met stokjes, en loerden
onderdehand of de baas in de achterkamer bleef.
Plotseling gaat de kamerdeur open, en zien we den man in zijn
overhemdsmouwen driftig den winkel in vliegen.
Wij op den loop. Een kerel in overhemdsmouwen en blootshoofds, die
je zoo maar op straat naholt, dat is voor jongens nog erger dan een
politieagent. Zoo'n kerel ontziet niets en kan hard loopen.
Wij vlogen dan ook over den weg. Hier was het nu bijna letterlijk waar,
dat de angst ons de voeten bevleugelde. Hij was ons natuurlijk vrij
dicht op de hielen, een winkellengte, en we konden hem alleen door een
razende vaart ontsnappen.
Ha, dát was loopen. Als een hinde voor de honden. Zulke vergelijkingen
begrepen we best, veel beter dan de meester. Wij hadden den angst _in_
ons gehad.
Daar bereikten we de eerste dwarsstraat. We vlogen den hoek om, en
kwamen midden in een hoop blaffende en vechtende honden terecht. Die
vergaten natuurlijk aanstonds hun geschillen, om op de hollende
jongensbeenen af te stuiven. Maar die renden er, behalve één paar, allen
tusschen door, de honden trappende, zoodat ze jankend wegstoven. Alle,
behalve één paar. En die waren van mij.
Ik was bang voor honden. En toen ik daar zoo plotseling door zes of
zeven blaffende honden besprongen werd, stond ik dadelijk stil. Ik
durfde niet door die woedende bekken heenbreken.
Maar achter me kwam de kerel in zijn overhemdsmouwen en zijn bloote
hoofd.
Toen stond ik ineens voor de uitstalkast van een koek- en banketwinkel.
Dat was tegenwoordigheid van geest. En ik bewonderde de uitstalling met
zoo ongeveinsde belangstelling, dat ik den man aan het twijfelen bracht.
Daar was een kunststuk van suikerbakkerij. Een tandarts had een boer een
kies getrokken. Hij stond met de kies nog in de tang. Maar de boer hield
beide handen aan 't pijnlijk vertrokken gezicht. En in witte
suikerletters stond er bij te lezen:
_Je hebt de verkeerde getrokken.
Ik trek je ze allemaal voor hetzelfde geld._
Het geheele kunstwerk was in een glazen kastje geborgen.
Van dezen humor stond ik bevend te genieten, toen ik een stem achter me
hoorde: »Jij was er ook bij, bliksemsche smeerlap!"
»Waarbij, meneer?"
»Ja, sta me nou maar niet te bedondere. Ik heb je heel goed gezien."
»Ik weet nergens van, meneer!"
»Heb jij niet met je vuile poote aan dat winkelraam gezete?"
»Nee meneer, heusch, ik weet nergens van."
Dat woord »heusch" was een woord, dat we alleen bij zulke gelegenheden
gebruikten.
De meneer in zijn hemdsmouwen scheen zich door mijn schijnheilig
gezicht toch te laten »bedondere". Hij was niet zeker van zijn zaak.
Grommend en scheldend trok hij af, terug naar zijn winkel.
Toen liep ook ik verder. Neen, ik wandelde verder. Wat genoot ik van
mijn triomf! De andere waren naar huis gehold, de dwarsstraat uit, den
hoek om, en zoo verder. Ik wandelde op mijn dooie gemak, als een
rentenier, als iemand, die zijn tijd aan zich heeft en zijn omgeving
volkomen beheerscht.
Daar kwam nog iets bij. De vent had zich nog eens kunnen bezinnen en me
toch in mijn nek willen nemen. Daarom mocht hij geen oogenblik denken,
dat ik haast had, om weg te komen. Zonder om te kijken slenterde ik de
dwarsstraat door als een volmaakt onschuldige. Ik bleef in mijn rol.
»Wie niet sterk is, moet slim zijn." Juist. Wie niet sterk is, _dient_
slim te zijn. Of hij gaat ten onder.
Wie niet sterk is, _is_ slim. Dat is zijn instinkt tot zelfbehoud.
Ik was niet beredeneerd slim. Ik had dat mooie redmiddeltje niet
uitgedacht. Ik was instinktmatig slim, zooals een drenkeling
instinktmatig de armen uitslaat. De slimheid was er, ineens, onbedacht.
Ze was mezelf een verrassing. De slimheid--ge moogt ook zeggen: de
huichelarij--was door den nood voortgebracht. Ze was een noodprodukt,
gelijk zekere vieze lucht bij den bunzing.
Toen ik in onze straat en bij ons huis kwam, zaten de anderen reeds
rustig op de stoep, zoo maar op de koude, hardsteenen stoep.
Een luid gejuich ging op, toen ze me zagen. Geen oogenblik hadden ze
gevreesd, dat ik »in die kerel z'n poote" was gekomen. (Jongens
gebruiken bij voorkeur ruwe woorden en sterke uitdrukkingen, evenals
het plebs, niet uit plebeïschen zin, maar, en alweer evenals het plebs,
uit onrijpheid: Kleine kinderen maken vuile luiers). Ze waren dus geen
zier ongerust omtrent mij. Ik zou me wel gered hebben op een of andere
manier. Wij waren niet kleinzeerig of gauw bekommerd ten opzichte van
elkaar.
En toen begon het opsnijen. Ik hoor een der jongens nog vertellen, dat
hij midden in dat hondengeraas op een grooten hond was gesprongen, dien
bij zijn ooren had gepakt om hem te mennen, en zich zoo naar huis had
laten rijden. En wij schenen dat te gelooven. Ik herinner me tenminste
niet, dat het verhaal als onmogelijk verworpen werd. Het behoorde tot
de heldenfeiten, die we verrichten of verzonnen, maar in ieder geval
bewonderden.
Mijn daad werd ook bewonderd. Ik had dien kerel mooi (tegenwoordig
zeggen de jongens: fijn) te pakken gehad. En niet een van ons dacht aan
de schade, die we den man berokkend hadden.
Niet een begreep zijn woede over onze pure en brutale baldadigheid. We
kwámen niet in zijn geval.
»Hè, wat bliksemde dat glas lekker naar beneje! En wat holde die kerel
met zijn bloote kop! Jammer dat die honden hem niet in zijn poote
gebeten hebbe!"
Dat was ons medelijden.
* * * * *
Nog twee herinneringen zijn me bijgebleven aan de school op de
Lindengracht. Ze staan beide in verband met het huis van den
bovenmeester.
Ik moet op een keer eens iets heel erg kwaads gedaan hebben. Wat, dat
weet ik niet meer. Maar het nablijven in de gewone school was blijkbaar
niet erg genoeg. Ik moest met meneer Kuyper mee, eenige portalen door,
naar zijn woning, naast de school en daarmee verbonden.
Wij gingen een trap op, ik voor, hij achter. Wat was dat indrukwekkend.
't Was er zoo stil. En dan alleen met den bovenmeester. In zijn eigen
huis!
Wij kwamen boven in een gang met witgestukadoorde muren. Er lag een
looper.
Toen moest ik daar in den hoek staan. Meneer Kuyper ging naar binnen, in
een kamer.
Ik stond er, doodstil.
Wat was het hier rustig.
Wat was het hier vredig.
En zoo netjes.
Er zweefde iets lieflijks in de atmosfeer.
Ik voelde me heerlijk. Volmaakt gelukkig.
En dat onder die allerstrengste straf.
Maar het zou veranderen. Meneer Kuyper had een hondje. Ik hoorde het
blaffen. Weg was mijn rust. Voor iederen hond was ik bang. Nu stond ik
doodsangsten uit, dat het dier in de gang zou komen.
Daar had je de ellende al. Een deur ging open. Blaffend kwam het
keffertje er uit en rende natuurlijk aanstonds naar mijn beenen.
Ik drong me, in angst, tegen den muur aan, en begon luid te schreeuwen.
Ik wrong me buiten het bereik van het gebit. Maar dat tuig is altijd
zoo, dat ze juist bange jongens het ergst aanblaffen. 't Is onedel
gedierte, bijna zoo onedel als een straatjongen.
Gelukkig klonk daar een lieve vrouwenstem. Die riep het hondje weg. Het
was de nog jonge vrouw van den bovenmeester. Ze kwam in de gang. Ze zag
mijn beschreide oogen, en zei enkele zachte woorden. Ze vroeg, of ik zoo
erg ondeugend was geweest. Ik keek haar aan. Er was zeker iets smeekends
in mijn blik. Ze legde haar hand op mijn hoofden streelde me. Toen ging
ze even naar binnen, en bracht me een boterham.
Lieve schoolmeesters in Nederland, die dit leest. En ook gij,
huisvaders. Luistert nu eens goed. Ik weet absoluut niets meer van het
kwaad, dat me deze buitengewone straf op den hals heeft gehaald. Ik weet
niets meer van den geduchten uitbrander, dien ik zeker gekregen moet
hebben. Van die geheele geschiedenis weet ik niets meer.
Maar ik weet nog wel van die gang, en van dat hondje, en van die lieve
vrouwenstem, en van die zachte vrouwenhand, en van die boterham.
Ik voel nog de verademing, de ontroering, de dankbaarheid bij _haar_
verschijning. Die stem, die hand, die boterham, dat was nu opvoeding,
dat was christelijke opvoeding.
Daar boven, in het hoekje tegen den muur, daar ben ik christelijk
opgevoed. Zoo maar zonder catechismus. En in enkele oogenblikken.
Toe, geloof me nu eens. We beseften ons eigen kwaad zoo weinig, dat we
er in roemden. We gaven niets om straffen, en als ze wat bijzonder
waren, hadden we zelfs gevoel voor het aantrekkelijke er in. Maar ons
harde hart brak bij een zacht woord. En we voelden ons gezegend en
geheiligd door een teere hand.
* * * * *
We gaan nog eens naar het huis van den bovenmeester. Maar nu blijven we
buiten staan.
't Is tusschen half negen en negen uur. De schooldeur is open. De
kinderen komen de Lindegracht op. Maar allen kijken even naar de deur
van het woonhuis. Daar is een briefje op aangebracht: »De zieke heeft
een onrustigen nacht gehad. Toestand hetzelfde." Dan loopen ze zacht
door en gaan stil naar binnen.
Meneer Kuyper is ziek. 't Is ernstig, heel ernstig. Elken morgen wordt
de toestand meegedeeld. Er mag niet gebeld worden.
Er ligt een donkere schaduw over de school. We denken niet aan
ondeugendheid. Met den meester hebben we een wapenstilstand gesloten.
Dit briefje stemt ons tot gehoorzaamheid, hem tot redelijkheid. Hij is
een poos geen barbaar.
De zieke daarboven beheerscht de school. Alleen door zijn ziekte. Weet
hij nog wel iets van wat er beneden gebeurt? Waarschijnlijk niet. Maar
wij weten wel, wat daarboven gebeurt. Daar ligt hij ziek. Hij, die
teere, bleeke figuur. Nu ligt hij te bed, nog bleeker dan ooit.
We weten wel zooveel, dat zulke briefjes op de deur een veeg teeken
zijn. Dat doet men alleen bij heel, heel erge zieken. We loopen zacht
het huis voorbij. Er is geen geschreeuw op de gracht. Hij is ziek. Hij.
De berichten op de deur worden steeds ernstiger. Eindelijk lezen we:
»Hedennacht overleden." De gordijnen zijn gezakt. Er is geen school. We
gaan naar huis. Niets, niets blij met de vakantie.
Ik denk aan dien zachten man, biddende met zijn zachte stem. Ik hoor hem
weer aan 't orgel.
Ik denk aan zijn lieve vrouw. Die zal nu wel erg bedroefd zijn.
Ik denk aan 't hondje.
En nu, veertig jaren later, denk ik:
Ik wou, dat die lieve vrouw nog leefde. En dat ze dan dit las. Dan
zou ze hooren, wat ze zeker nooit geweten heeft, hoe dat ondeugende
jongetje, daar boven in de gang--ze herinnert zich geen jongetje?--hoe
dat jongetje haar en haar lieven man in gezegend aandenken heeft
gehouden. Zijn leven lang.
* * *
Toen meneer Kuyper de school aan de Lindegracht verlaten had, ging ook
ik weg. Ik heb een flauw vermoeden, dat het om achterstallig schoolgeld
was, maar zeker weet ik het niet.
Maar ik was blij, dat ik wegging.