Van mijn eerste levensjaren weet ik alleen iets door mededeelingen
mijner moeder. Zij hield er van, ons veel te vertellen van haar eigen
jeugd en ook van onze eigen lotgevallen. Daardoor weet ik, dat ik in een
koekwinkel geboren ben--'t zal wel geweest zijn in de bedstede van de
huis- en slaapkamer achter den koekwinkel--; dat ik een oude, deftige
baker heb gehad, Baker Zandbrink, die alleen voorname diensten aannam,
maar mijn moeder grootendeels uit vriendschap hielp; dat mijn tante
Hendrika zoo dol op me was, dat ze altijd met me uit wou, en ik dan op
haar arm zat te springen, en dat ze dan trotsch op me was, omdat de
menschen me zoo'n mooi kind vonden; en dat ik mijn moeder driemaal een
doodschrik op 't lijf heb gejaagd, door eenmaal van een hooge trap te
vallen, een ander maal een erwt hoog in mijn neus te werken, en een
derden keer een haaknaald in mijn keel te steken, zoodat niemand het
geweerhaakte ding er uit kon halen, dan alleen de dokter, naar wien
mijn moeder in haar angst met mij heen vluchtte. 'k Heb een flauwe
herinnering, dat ik ook nog eens uit een fleschje terpentijn heb
gedronken, maar dat weet ik niet precies meer.
Natuurlijk vertel ik deze dingen niet, omdat ze ook maar eenigermate
belangrijk zouden zijn, maar alleen om te doen uitkomen, welke
mededeelingen in mijn geheugen zijn gebleven. Duizend andere dingen
heeft mijn moeder me zeker ook verteld, die ik nu totaal vergeten ben.
En terwijl ik de namen van allerlei dingen en menschen, die ik later
in 't geheugen prentte, met moeite vasthield en vaak weer losliet,
is de naam van Baker Zandbrink, ofschoon nooit opzettelijk geleerd
en gerepeteerd, ofschoon zeker in meer dan veertig jaren niet bewust
geworden, mij steeds in alle stilte blijven vergezellen. Jammer, dat
men in zulke namen niet geëxamineerd wordt: daar gebruikt de beschaving
andere namen voor, die niet zoo dicht bij het kind liggen.
* * * * *
Mijn persoonlijke herinneringen gaan terug tot mijn derde of vierde
jaar, tot mijn bewaarschool-periode. Ik ben achtereenvolgens op twee
bewaarscholen geweest, waarvan ik mij enkele hoofdzaken nog goed kan
voorstellen.
We woonden toen te Amsterdam in een kruidenierswinkel. Het
hooge huis stond op den hoek van de Eglantiersgracht en de derde
Eglantiersdwarsstraat. Van dat huis en de omgeving, van de geheele
buurt weet ik nog bijna alles. Maar we hebben er ook zes à acht jaar
gewoond, dus kan ik niet nagaan, uit welken leeftijd die beelden
dagteekenen. De bewaarschool, althans de eerste, heb ik alleen in mijn
derde of vierde jaar gezien, later niet meer, en ik weet nog precies,
dat er binnen een, naar mijn meening, _groote_ ruimte was, waar heel
veel kinderen zaten--van de banken weet ik niets meer af--en dat aan
't eind van die ruimte een houten trapje naar een verhooging voerde,
waarop, onder 't koffiedrinken, de juffrouw plaats nam aan een tafeltje.
Ik heb nu nog den indruk, dat die juffrouw van haar hooge zitplaats ons
heele rijk overzag en we dus niets ongerechtigs konden doen.
Van 't leeren weet ik niets meer, noch van vertellingen, noch van
versjes. Mijn geheele leven in die school wordt vertegenwoordigd door
maar één beeld: het koffieuurtje. De kinderen zitten omlaag, de juffrouw
omhoog. Eer we beginnen te eten, roepen alle kinderen in dreuntoon:
»Smakelijk eten, juffrouw Mina!" en de juffrouw antwoordt uit haar
hoogte met vriendelijke bewaarschooljuffrouwstem, wat hoog van klank en
zeer te-gemoet-tredend van toon: »Smakelijk eten, kindertjes!" Na afloop
van het boterham-eten zeggen de kinderen: »Welvolkomen, juffrouw Mina!"
Waarschijnlijk: »Wel bekome 't u, juffrouw Mina!" Maar in mijn ooren
hoor ik nog thans het zeurend gezang van het heele kinderkoor:
»Welvolkomen, juffrouw Mina!" En daarop weer de hooge, inborend
welwillende stem van de juffrouw: »Welvolkomen, kindertjes!"
Er is zeker wel gebeden en gedankt in de bewaarschool, ook
gezongen, maar ik weet er niets meer van. En ik vermoed, dat ik die
koffietafel-beleefdheden alleen onthouden heb, doordat mijn oudere
broers er mij thuis vaak mee plaagden. Die riepen telkens op zeurenden
kindertoon en dan weer met piepende juffrouwen-stem door 't huis
spottend na, wat daar in de bewaarschool zoo goed bedoeld en ernstig
uitgevoerd werd. En zoo zijn zeker de fatsoenlijke manieren, die
juffrouw Mina er bij ons inbracht, niet bewaard gebleven door haar
welmeenenden ernst, maar door de onbarmhartige vroolijkheid van een paar
ongevoelige spotters. Ik herinner me nog goed, dat die bespotting mij
hinderde en wat pijn deed. De zaak was voor mij iets ernstigs, misschien
alleen door den plechtigen dreun, maar toch, ze was met een ernstige
stemming door mijn kindergemoed verweven, en ik voelde het als pijn,
wanneer in dat weefsel gescheurd werd.
Den weg naar deze bewaarschool zie ik nog voor me. Eerst uit de
huiskamer een trapje af naar den winkel. Dan den winkel door. Over de
platte blauwe stoep. Nu op straat. Aanstonds de hooge brug over, die--we
woonden immers op een hoekhuis--bijna vlak voor 't huis lag. En dan
rechtsaf, de »gracht" op, dat is eigenlijk de kade langs de gracht. Bij
't woord gracht dachten wij nooit aan 't gegraven water, maar altijd aan
de beide wegen ter weerszijden er van. Iemand woonde in onze taal nooit
»aan", maar op de gracht. De bewaarschool lag dus aan de overzijde van
de gracht, rechts van de brug. Ik zie die »kleine steentjes" nog, het
voetpad van klinkers, waarop we altijd liepen, vlak langs de stoepen der
huizen. De »groote steenen", de keien, lagen daarnaast, op den rijweg.
Wanneer we naar school gingen, kregen we altijd de waarschuwing mee: »Op
de kleine steentjes loopen, hoor!" en dan liepen we, dikwijls hand aan
hand, op de kleine steentjes naar school, nadat mijn oudste zuster ons
eerst de brug over had gebracht.
Om in school te komen, moesten we van de gracht af eerst een poortje
en een met klinkers bestrate gang door. Hoe we uit die gang in 't
schoollokaal kwamen, weet ik niet meer. Ik zie alleen de gang, en dan,
zonder tusschenschakels, de schoolruimte met de hooge tribune voor
Juffrouw Mina, deftiger genoemd: Mejuffrouw Gottman. Ook háár naam heeft
in mijn geheugen een onvervreemdbare plaats.
Die weg naar school is voor mij éénmaal een kruisweg geweest. Niet door
de school, want van die school herinner ik me niets onaangenaams.
Maar....
Vóór mijn zesde jaar leed ik eenigen tijd aan bedwateren. Er zijn ook
thans nog kinderen, die daaraan lijden. Daarom wil ik nauwkeurig mijn
herinneringen betreffende die »ziekte" vertellen. Wellicht helpt het
hen.
Ik geloof niet, dat mijn ouders, broers en zusters het toen voor een
ziekte of een zwakte aanzagen. Sterk heb ik nog den indruk, dat men
het mij als iets schandelijks verweet. Nog hoor ik me boos toevoegen:
»Leelijke pis-in-bed." En daarbij voelde ik mij zoo hulpeloos schuldig.
Men scheen te denken, dat ik uit luiheid maar in bed bleef liggen. Als
ik maar niet zoo lui was, zou ik wel opstaan. Heel zeker weet ik echter,
dat het niet zoo was. En dat weet ik zoo bizonder zeker door een droom,
dien ik nooit vergeten ben.
Op de bewaarschool bij Juffrouw Mina was er voor de kleine jongetjes
geen urinoir. Die moesten maar, op een binnenplaatsje, in een vierkant
steenen putje wateren, dat waarschijnlijk in een riool uitliep. Nu
droomde ik op een keer, dat ik bij dat steenen putje stond, maar er
lag een groen geverfd houten deksel op. Ik moest toch zoo erg, maar ik
durfde niet, om dat mooie, groene deksel. Maar ik kon het niet meer
tegenhouden, en toen het eenmaal gebeurd was, werd ik met een schrik
wakker. Een oogenblik was ik wanhopig en toen kroop ik diep weg onder
de dekens, om me te verstoppen tegen de schande die straks weer zou
losbreken.
Uit dit tijdperk heb ik herinneringen van diepgaande smart. Het maakte
mij schuw en angstig. Er was geen vertrouwelijkheid tusschen de anderen
en mij. Ik voelde mij een eenling, maar niet een prinsje, verdwaald
onder menschen van de straat. Eer zoo iets als een ziek hondje, dat
overal wegkruipt en dan nog uit de veilige hoekjes wordt weggeschopt.
Nog zie ik dat kleine jongetje 's morgens in zijn nat hemdje rondloopen
en hoor ik den grauw van deze of gene: »Ga weg, stinkende pis-in-bed."
Nu moet men niet denken, dat mijn gezinsleden zoo harteloos waren. Wel
het tegendeel. Ik had mijn moeder héél lief en heb haar verafgood. En
mijn vader was ook een beste man. Over de jongere gezinsleden viel ook
niet te klagen, maar een pis-in-bed was nu eenmaal een pis-in-bed, en
die was een ellende, vooreerst voor het broertje, dat met hem in één bed
moest slapen, dan voor de zuster, die elken dag de bedden moest afhalen
en opmaken, en eindelijk voor moeder, die uit een leege linnenkast maar
altijd schoone lakens moest krijgen. Hoe moest men dat kwaad bestrijden?
Door schelden en slaan. Men wist niet beter. En zoo ging ik gebukt onder
schande en angst voor klappen.
Deze middelen hielpen echter niet. Wel hielp het, wanneer men mij elken
avond, eer de ouderen naar bed gingen, even wakker maakte en er uit
haalde. Dat gebeurde vaak weken achter elkaar. Dan kwam mijn oudste
zuster, een heel lief meisje, en nam mij op. Slaapdronken zette zij mij
neer. En dan stak ze haar vinger in de hoogte en zei: »Goed luisteren,
of we iets hooren." Hoorden we dan wat, dan waren we allebei gelukkig,
zij en ik. Dan keek ik nog eens de kamer rond, zag het nachtlichtje
flikkeren--een waspitje op patentolie in een gewoon drinkglas--en voelde
me zoo gelukkig, zoo stil gelukkig. En wanneer ze me dan weer in bed lei
en lekker toestopte, sliep ik dadelijk, rustig in volkomen veiligheid.
Of men--'t was een druk gezin: een winkel, vijf kinderen, en nog twee
jongens in huis--of men deze doeltreffende maatregelen dan maar weer
naliet, of dat ze op den duur toch niet hielpen, ik weet het niet, maar
op zekeren dag werd er tot iets verschrikkelijks besloten. Schelden
had niet geholpen, klappen ook niet, dan moest ik maar hebben wat er
bijstond. Op een stuk papier werd met groote letters geschreven: Jan Pis
in bed. Dat papier werd op mijn rug gespeld. En zoo werd ik door mijn
oudste zuster naar de bewaarschool van Juffrouw Mina gebracht. Toen is
deze weg mij een kruisweg geworden.
O, ik kan het niet vergeten, ik heb het nooit kunnen vergeten, die
wanhopige smart, die machtelooze wanhoop. Ik _wilde_ het papier niet
op mijn rug hebben, ik _wilde_ niet. Ik worstelde tegen, huilde,
trapte, maar 't gaf niet. Eenige volwassenen zijn met elkaar sterker
dan een bewaarschoolkind, en het moest. Schreeuwende werd ik den winkel
uitgesleept, de blauwe stoep over, de straat op. Zoodra ik op de
straat was, ging ik loopen. Ik schaamde me voor het publiek, kon geen
straatscène maken. Daarvoor was ik te trotsch. De menschen hadden er
niets mee te maken. Maar ik liep als een kleine gebrokene. Iedereen kon
zien, kon lezen, wat er op mijn rug gespeld was, en ik schoof schuin
voor mijn zuster om een bedekking te hebben.
Die eene schoolgang is voor altijd in mijn geheugen gebeten. Van
alle gangen naar school zie ik alleen deze. De gracht was als een
eindeloosheid. En ik schreide maar, schreide hevig, maar stil. Ik was
radeloos. Gelukkig kwam eindelijk het poortje, waardoor ik met mijn
schande weg kon sluipen van de openbare straat. Doch nu kwam een nieuwe
angst. Nu zou de juffrouw het zien, en al de kinderen. En ik smeekte
mijn zuster, nu toch asjeblieft het papier van mijn rug te nemen.
Ze was zoo barmhartig. Dat gaf lucht. Schande drukt zoo zwaar. Ook al,
ja misschien bovenal op een kind.
Ik heb een idee, dat ik dien heelen dag stil ben geweest. Maar misschien
is het ook niet zoo. Ik weet het niet. Kinderen vergeten zoo gauw, zegt
men. Ik heb echter meermalen kinderen uren en zelfs dagen lang stil
gezien onder een veel geringere emotie. En die eene gang naar school was
voor mij, bijna letterlijk, een breken van mijn hart.
Het bedwateren is overgegaan. Hoe, dat weet ik niet meer. Maar zeker wel
vóór mijn zesde jaar. Of het door die heftige emotie geweest is? Ik weet
het niet, ik weet het niet. Maar dit weet ik wel: er is door dit middel
meer in me vernield, dan hersteld.
* * * * *
Natuurlijk--dat zag ik later in--was die heele openbare vernedering
maar een komedie. Er was geen papier op mijn rug gespeld, al had ik het
papier ook gezien en het opspelden gevoeld. Men had mij maar bang willen
maken, met goede bedoelingen, zeker, maar met slechte gevolgen. Zulk een
bangmakerij is bij velen nog een opvoedingsmiddel, een middel dat, waar
't oude kwalen genezen moet, nieuwe veroorzaakt.
Tot mijn kindergebreken schijnt ook te hebben behoord, dat ik weleens
in den spiegel keek. Om me hiervan terug te schrikken werd me wijs
gemaakt, dat in den spiegel Haantje Pik woonde. En als ik dan in den
spiegel keek, zou Haantje Pik eensklaps te voorschijn komen en me de
oogen uitpikken.
Ik geloofde dat niet. Maar eens op een keer zette men mij op een stoel
voor den spiegel, om te zien dat het waar was. Het was avond en ik zou
naar bed gaan. Mijn hanssopje had ik aan, en mijn slaapmutsje op. De
mannen en jongens, ook al de kleintjes, droegen in dien tijd puntige
slaapmutsjes met een kwastje aan de punt, zoogenaamde »bakkertjes"; de
vrouwen en meisjes borgen des nachts hun haar in gehaakte nachtmutsjes.
Daar stond ik dus, jongetje van zeker niet ouder dan vier of vijf jaar,
in mijn wit hanssopje en gebreid bakkertje op den stoel, en keek vol
verwachting in den spiegel.
Plotseling zag ik daar een hand boven mijn hoofd, die de punt van mijn
slaapmutsje beet pakte en dit met een ruk van mijn hoofd trok. Dat deed
Haantje Pik. Ik bestierf het bijna van schrik, waggelde op mijn stoel,
en werd zeker doodelijk wit. Als een der ouderen me niet aanstonds
gegrepen had, zou ik stellig tegen den grond zijn geslagen. Nu werd ik
gerustgesteld, dat iemand achter me had gestaan en de muts had gegrepen,
dat het maar een aardigheidje geweest was. Maar de schrik zat er in en
langen tijd ontweek ik angstig den spiegel.
Erger was het, als zulke schrikaanjagingen en bangmakerijen niet
geschiedden met een opvoedkundige bedoeling, maar louter tot vermaak
voor de ouderen. Men maakte me vaak bang door angstig te roepen: »Jan,
kijk eens achter je!" Dan schrok ik hevig, of er een spook achter me
was, dat me meteen aan zou grijpen, en ik vloog hard weg, naar moeder,
of naar bed. Meest was dit een pleziertje voor 's avonds, als ik in mijn
nachtkleeren goênacht had gezegd. Dan riep een der oudere jongens: »Jan,
kijk eens achter je!" en ik holde naar bed. Ik hoorde luid gelach, ook
booze woorden van moeder, omdat ze een klein kind zoo plaagden, maar was
pas rustig, als ik mij diep onder de dekens verstopt had.
Hoe deze angsten in mijn gemoed hebben doorgewerkt, kan wel blijken uit
het feit, dat ik later, zelfs nog toen ik ongeveer 20 jaar oud was, 's
avonds op een eenzamen weg naar huis keerend, soms plotseling achter me
keek, of me iemand op de hielen zat, en ook wel eens een enkel maal niet
durfde omkijken, maar gejaagd naar huis liep, terwijl het koude zweet me
uitbrak. En toen was ik twintig.
Dat had de onschuldige plagerij van een paar groote jongens gedaan,
die natuurlijk absoluut geen idee hadden van hetgeen hun pret in het
kindergemoed uitwerkte.
Men zal begrijpen, dat ik, ouder geworden, nooit kleine kinderen heb
kunnen plagen of bangmaken, en deze liefhebberij van volwassenen altijd
met ernst en beslistheid bestreden heb. Hier lag een smartelijke
ervaring achter, en meer dan een.
Een der heilzaamste gevolgen van zulke ervaringen is, dat we anderen
leeren ontzien. Zoo kunnen we nog wel eens dankbaar zijn voor het leed,
dat ons anderen leert begrijpen, sparen, helpen, ook redden.
* * * * *
De bewaarschool van Juffrouw Mina verliet ik, om voor mij onbekende en
ook totaal onverschillige redenen, en ik ging nu naar de school van
Juffrouw S., een huis of tien van ons af op dezelfde gracht. Er was een
oude moeder en twee dochters, Juffrouw Fietje, de oudste, en Juffrouw
Doortje, die een rond, kleurig gezicht had en wat scheel zag. Zij
was een goedaardig mensch, maar haar oudere zuster was erg bijdehand.
Sommige jongetjes spraken van »Schele Door", »Valsche Fie" en »Ouwe Na".
Maar dat vond ik te oneerbiedig. Ik zag veel te hoog tegen ze op.
De bejaarde moeder had grijs haar, dat zij steeds, aan weerszijden der
scheiding plat weggestreken, onder een wit mutsje verborg. Juffrouw
Fietje was donker van oogen en haar, en geel van tint. Juffrouw Doortje
had bij haar ronde, blozende wangen, schele blauwe oogen. Als ze ons
aankeek, hield ze altijd het hoofd een beetje schuin. Ik dacht, omdat
ze ons anders niet zien kon, zooals een duif zijn kopje scheef draait,
om u te kunnen bekijken. Ze was lief. Misschien wat te onnoozel voor
de zaak, maar ik voelde haar simpele goedheid, en die voel ik nu nog.
Hartmemorie.
Het is wel opmerkelijk, dat ik van Juffrouw Mina heelemaal geen
voorstelling bewaard heb en van de dames S. wel. Maar vooreerst was ik
nu iets ouder, maar dan ook is de konnektie langer aangehouden dan tot
mijn afscheid van de school, zooals later blijken zal.
Van haar schoollokaal herinner ik mij zeer wel, dat het een rechthoekige
ruimte was. De rijen banken, lange zitbanken, enkele met schrijftafels,
stonden evenwijdig met de lange rechthoekszijden. Aan den voorwand
hingen de negen leestafels van Prinsen. Er was maar één raam, dat in een
der korte zijden, precies in den hoek, uitzicht gaf op muren en daken.
In den hoek der andere korte zijde was de deur, ongeveer aldus:
+----------------------------------+
| voormuur |
|deur |
| -------------- -------------- |
| -------------- -------------- |
| -------------- -------------- |
| -------------- -------------- |
| -------------- -------------- |
| -------------- -------------- |
| raam|
+----------------------------------+
Op deze bewaarschool heb ik lezen geleerd met de leestafels van Prinsen,
de methode van spa-aa, slee-ee, drie-ie, enz. Hoe? Dat weet ik niet
meer. Daar weet ik niets, niets meer van. Ik weet alleen, hoe prettig
ik het vond, naar een hoogere tafel te mogen overgaan, en hoe
ik--eerzuchtig of leergierig?--mijn best deed op iedere nieuwe tafel,
totdat ik ook die weer meester was. Toen ik thuis in den Bijbel kon
lezen, was ik trotsch en gelukkig.
Volgens sommige psychologen mogen kinderen niet voor hun negende jaar
leeren lezen. Misschien hebben ze gelijk. Maar ik vond dat spelletje
zoo prettig en te gelijk die kunst zoo gewichtig dat ik vóór mijn zesde
jaar van de eene leestafel naar de andere huppelde, zonder verdriet of
bizondere inspanning. Ik merk hierbij op, dat het me uitsluitend om het
plezier van het bemeesteren dier zwarte hieroglyphen te doen was, een
zelfde soort plezier als het oplossen van raadseltjes, het wegzoeken
(padvinden) in een geteekend doolhof, in 't algemeen: het ontsluieren
van onbekenden. Het lezen zelf toch boeide mij niet en heeft mij nooit
kunnen boeien. 't Was dus niet om 't verhaaltje, maar om 't bemeesteren
der kunst. Toen ik die meester was, las ik maar weinig. Ik denk, dat ik
daartoe te aktief was. Ik dééd liever iets.
Van de spelletjes herinner ik me alleen, dat we, als het boterham-eten
was afgeloopen--we bleven n.l. van 9-4 in dat lokaal opgehoopt--onder
de banken jagertje speelden. Ik zie me over de voetplanken kruipen
en in het woud van kinderbeentjes en bankpooten een wild dier narennen,
een tijger of een leeuw. Die dieren en die jagerij had ik stellig
opgedaan uit de platen van »De aarde en haar volken", waarop mijn vader
geabonneerd was. De jacht was heerlijk, en nu nog voel ik, dat ik er
heelemaal in leefde. Zelfs zoo zeer, dat ik nooit hoorde, hoe Juffrouw
Fietje op het rumoer binnenkwam om de jacht te stuiten, en haar pas
gewaar werd, als ze me onder de banken smerig en wel vandaan sleepte.
Bij juffrouw Fietje heb ik ook mijn eerste liefde leeren kennen en mijn
eerste bittere ontnuchtering.
Die liefde gold echter niet juffrouw Fietje, maar een mijner
mede-scholieren, Betje. Ik moet toen al het schrijven verstaan hebben,
ofschoon ik niet weet, hoe ik die kunst machtig ben geworden, maar ik
herinner me zeer wel een briefje, een vuil stukje papier, waarop ik met
potlood zoo iets geschreven had als: »liefe bedje mag ik je vrijjer
weese", en dat ik daarna over de banken heen met de kinderpost verzond.
Het antwoord luidde toestemmend, en dus was de zaak aanstonds in orde.
Hoe ik aan de neiging kwam, om me al zoo vroeg gelukkig te maken met
een liefde-band, weet ik evenmin, als wie me het voorbeeld van een
minnebrief had geleerd. Er zweven echter allerlei bakteriën in de lucht,
van kinkhoest evengoed als van vrijerij, en het eene kind is vatbaarder
dan het andere. Zeer wel weet ik echter, dat ik niet meer wenschte dan
een toestemmend antwoord, en van de heele geschiedenis _dit_ mijn geluk
was, dat ik nu met fierheid op straat kon loopen en tot mijn makkers
zeggen: »Betje is _mijn_ meisje." Die behoorde mij toe, en niemand kan
op haar eenig recht doen gelden. Zij was een stuk jongenseer.
Het is niet aan gebleven, maar toch was deze scheiding mijn
ontnuchtering niet. Deze kwam nu wél van Juffrouw Fietje, en nog wel op
haar verjaardag. Op een of andere wijze moet ik bespeurd hebben, dat de
kinderen de juffrouw bij deze gelegenheid vereerden met een geschenk.
Dat was voor mij een leelijk geval, want de centen vloeiden thuis niet
overvloedig, ik had al lang ondervonden, dat ik die niet gemakkelijk los
kreeg, en toch waren ze noodig voor een cadeau.
Nu was er in de Eglantiersdwarsstraat, vlak naast ons huis, een
galanteriewinkel. Daar woonde Juffrouw van Streelen, bij ons gevierd
wegens haar mooi voordragen van lange verzen. Ik herinner me uit
later jaren, dat ze nooit sprak over De Génestet, maar altijd over De
Genéstet, en dat zit me nu nog in den weg. Maar haar grootste bekoring
voor mij was de uitstalling van haar winkel en de buitengewone
vriendelijkheid jegens ook haar kleinste koopers. Die vriendelijkheid
was bijna lieftalligheid. Men kocht iets, en kreeg, behalve het
verlangde voorwerp, ook nog een heele massa bekoorlijkheid.
Al dagen achtereen had ik de uitstalling van Juffrouw van Streelen
doorvorscht, en daar eindelijk een beeldig klein vaasje ontdekt, met
bloemen op het buikje en gouden bochten langs den oorrand en het
gekartelde voetje. Een bééldig vaasje. En het kostte maar drie cent,
de prijs stond er bij. Ik kende toen blijkbaar de cijfers, anders had
ik dit nooit kunnen weten. Maar al was die prijs tamelijk laag, voor
mij vertegenwoordigde hij toch een kapitaal: drie cent was inderdaad
voor mijn kinderhandje een ongekende schat. Ik wist het geld evenwel
van mijn moeder los te bedelen, en eer ik naar het groote verjaarfeest
van Juffrouw Fietje ging, waar je den heelen morgen spelen mocht en
getrakteerd werd, kocht ik het beeldige vaasje en stapte er uiterst
gelukkig mee naar school, heel voorzichtig het in de hand houdend, dat
het toch vooral niet breken mocht, en onderwijl de roode rozen en de
groene blaadjes bewonderend op het ovale buikje.
Maar toen ik met mijn cadeau de steenen stoep was beklommen en een
portaaltje was doorgestapt tot dicht bij Juffrouw Fietje, toen schaamde
ik me plotseling. Daar stonden andere kinderen met groote pakken in de
hand, en daar blonken en schitterden mij reeds uitgepakte geschenken
tegen. Een verlakte theestoof! Een glimmende waterketel! Een kristallen
olie- en azijnstel! Wat een groote en prachtige stukken! Daarbij zonk
mijn vaasje heelemaal in 't niet. Al zijn schoone bekoorlijkheid had
het voor mij verloren. En met het schaamrood op de wangen--ik voel
het nog--overhandigde ik het schamel eerbewijs aan de jarige. Deze nam
het aan, bedankte, en zette het neer. Ik zie nog alles, álles. Maar
mijn geluk en fierheid smolten weg. En--niemand had me iets gezegd of
aangedaan, maar ik ging niet naar de feestzaal, doch liep het portaaltje
door, de trap af, en rende naar huis. Nóg drie centen, nóg zoo'n vaasje!
Mijn eer stond op het spel. Ik ging _niet_ naar het feest, als ik niet
eerst nog zoo'n vaasje kon aanbieden, om althans eenigermate in
evenwicht te komen met de theestoof en den waterketel.
Mijn moeder kon geen weerstand bieden aan mijn dwang. Ik liet haar
niet los. Weet men wel, wat geweldige gemoedsmachten daar soms achter
zitten, als de kinderen heeten te »dwingen"? En spoedig holde ik met
mijn afgeperste drie centen naar Juffrouw van Streelen, had nu geen tijd
om van haar lieftalligheid te genieten, en holde haar winkel uit, den
hoek om, de gracht, de stoep op, naar Juffrouw Fietje.
Die had me in de drukte van het ontvangen en uitpakken niet gemist.
Hijgend duwde ik haar het tweede kleinood in de hand en zag haar aan, of
het zoo nou niet goed was. En toen zei ze: »Had dat vod maar gehouden."
En ze zette het minachtend neer.
Dat was bijna zoo erg als het schandpapier op mijn rug. Ik voelde
een diepe krenking en verloor alle veerkracht uit mijn heele lijfje.
Beschaamd slenterde ik naar de feestzaal. Van de pret herinner ik me
absoluut niets meer. Ik weet ook niet, of ik pret heb gehad. Bij dien
ontzettenden neerslag staan mijn herinneringen stil.
Nu moet ik eerlijk zijn en zeggen, dat ik niet weet, of ik de woorden
van Juffrouw Fietje precies heb teruggegeven. Misschien heeft ze 't niet
zoo kras gezegd. Niet die heel harde _woorden_ gebruikt. Maar voor de
zaak sta ik in. Haar geringschatting was ongeveinsd. Die heb ik te
pijnlijk gevoeld. En dat gevoel is me onuitwischbaar bijgebleven.
Van dit oogenblik af heb ik een hekel aan gelegenheidscadeaux gehad. Ik
heb ze nooit kunnen ontvangen. En waar ik ze aanbieden moest, betaalde
ik liefst de dubbele waarde.