HET TELEGRAM.

Vermey schrikte geweldig en werd doodsbleek.

Hij zat juist zoo lekker te genieten van het eerste koeltje, dat na een

snikheeten dag over de vlakte streek, waarop de suikerfabriek was

gebouwd. Zijn commissie was gegaan als van een leien dakje. Hij had het

op z’n indisch aangepakt; heel kalm en zonder onaangenaamheden, wetend

te leven en te laten leven, maar voet bij stuk. Op die manier had hij

al heel wat bezuinigingen erdoor gekregen en Voirey had daags te voren

getelegrafeerd, dat hij over zijn cijfers tevreden was. Over acht dagen

zou hij gereed zijn en weêr naar huis kunnen. In het behaaglijk gevoel

van zoo goed als klaar te zijn en met succes, dacht hij, liggend in een

luierstoel, en zijn lange beenen met genot uitstrekkend in den

aanwakkerenden luchtstroom, aan zijn terugkeer; want hoe hij ook geëerd

werd en gefêteerd en hoe vleiend dit ook voor hem was in een streek,

waar men hem als nederig beambte had gekend,—oost, west, dacht hij,

thuis best! Dat her-en-der scharrelen onder vreemden was niet aangenaam

meer voor iemand, die het zoo geregeld en comfortabel thuis gewoon was.

„Lena ernstig ziek. Kom dadelijk. Voirey.”

Daar zat hij nu op te kijken in dat nieuwe, pas ontvangen telegram,

verschrikt en bleek. Een paar dagen te voren had hij nog een brief van

haar ontvangen, en die was nu wel niet bijzonder opgewekt, maar ze

schreef toch niets hoegenaamd van ziekte of zoo.

En nu in eens dat telegram!

Het was onbegrijpelijk! Werktuigelijk stond hij op en liep het huis

binnen, waar hij den administrateur, die op het punt stond naar de

fabriek te gaan, nog juist aantrof.

„Dat is ’n treurige tijding,” zei deze meêlijdend, toen hij het

telegram had gezien.

„Wanneer kan ik weg.”

De administrateur dacht een oogenblik na.

„Er gaat een kustboot morgen.”

„Dan ga ik daarmeê.”

„Als u haar maar kunt halen.”

„Zou het gaan?” vroeg Vermey angstig en hij voegde er dadelijk bij:

„Als het niet heelemaal onmogelijk is, moet het gaan.”

„Wist u nergens van?”

„Ik wist van niets,” en hij vertelde van haar laatsten brief.

„Er heerscht toch geen cholera?”

„Ten minste niet voor zoover ik weet.”

„Nu, we zullen naar het telegraafkantoor gaan.”

Vermey begreep dat ook; hij baadde, kleedde zich en liet zijn bediende

de koffers pakken. Het was ineens een heele drukte. De vrouw des huizes

was er zeer meê begaan. Men raadde naar wat het toch wezen kon, en een

half uur later zat Vermey in een rijtuig met den administrateur. De

telegrafische regeling voor de postpaarden, die gestationneerd moesten

worden, gelukte. Den heelen avond en nacht reed hij door, hotsend in

den reiswagen en erg vermoeid. Op ’t laatst kon hij zelfs niet meer

denken, laat staan zich ongerust maken over de ziekte zijner vrouw; hij

viel in slaap ondanks alles.

En toen hij wakker werd, nam hij het geval bedaarder op; wie weet was

het wel zoo erg niet; misschien deed Voirey het meer omdat hij bij

ziekte geen verantwoordelijkheid wilde dragen voor eens anders vrouw.

Ook aan boord van de kustboot paaide en troostte hij zich met die

gedachte, waarin hij zeer versterkt werd.

Hij had het telegram des onheils laten lezen aan den kapitein, en die

had hem ook moed ingesproken.

„Het is meestal ’n beetje overdreven, meneer,” had de kapitein gezegd.

„Is ’t waarlijk?”

„Wel zeker; van de tienmaal, dat ik passagiers heb, die reizen op zulke

telegrammen, loopt het achtmaal gelukkig goed af.”

„Hoe komt men er dan toe te telegrafeeren?”

„Het zijn de zenuwen; men maakt zich spoedig ongerust, en denkt al

gauw; er kon eens iets gebeuren.”

„Dus zoudt u denken...?” vroeg Vermey, wiens aarzelend en weifelachtig

karakter in zoo’n ernstige zaak weêr geheel op den voorgrond trad.

„Wel, ik zou me, als ik in uw plaats was, niet noodeloos ongerust

maken.”

Verruimd wandelde George het dek op en neer. ’t Was gekheid, zich nu

reeds zoo te kwellen; wie weet of zij bij zijn aankomst niet weer

heelemaal beter was; nu, hij verlangde niets liever dan dat!

Maar de kapitein vroeg aan een ander reiziger:

„Kent u dien meneer Voirey?”

De andere knikte herhaaldelijk toestemmend zonder iets te zeggen.

„Wat is het voor een man?”

„U kent hem óók wel. Hij en ik hebben verleden jaar samen een reis

gemaakt met deze boot.”

„Is het die.... Amerikaan, ingenieur, millionnair.... de hemel weet,

wat ze toen van hem zeiden?”

„Volkomen dezelfde.”

„Bliksems!” zei de kapitein met een ernstig gezicht naar Vermey

kijkend. „Zoo, is die het! Dan geloof ik, dat het er heel slecht moet

uitzien met mevrouw Vermey, want die meneer.... Voirey—ik kan dien naam

maar niet onthouden! zag er niet naar uit zich noodeloos bezorgd te

maken.”

De andere schudde weêr het hoofd, maar ditmaal ontkennend om te

bevestigen, dat hij ’t ook niet vond.

„Ik houd,” zei hij, „het mensch voor geconfisceerd.”

Het gerucht deed aan boord de ronde. Hij zal, zei men elkaar, zijn

vrouw wel niet levend meer aantreffen, en die omstandigheid maakte hem

tot een belangwekkend persoon; men verwonderde zich over zijn

zelfbeheersching en kalmte; zelfs zij, die als de kapitein, alles

daartoe hadden bijgedragen, stonden er ten slotte verbaasd van.

Bij de aankomst was er niemand en niets.

Hij had toch getelegrafeerd, dat hij kwam; maar vruchteloos keek hij

rond voor het station op het Koningsplein naar zijn rijtuig.

Het was er niet, en Vermey stapte in een nog beschikbaren

logements-huurwagen. Uit de verte aankomend, keek hij met sterk

kloppend hart naar zijn huis; het stond daar precies zooals bij zijn

vertrek, de zeilen neêr voor het zonlicht; alles netjes, en overigens

niets; zelfs geen bediende op het voorerf.

Maar toen hij naderbij kwam, parallel met het zij-erf, zag hij achter,

onder de loods, rijtuigen en ’n heen en weer geloop; hij schrikte er

van, zenuwachtig ging hij met zijn eenen voet op de trede van het

rijtuig staan, als gereed eruit te springen, wat hij ook deed bij het

oprijden van het erf. De bedienden, die af en aan liepen, achter,

stonden stil toen hij daar zoo kwam aanhollen, ontsteld, met zijn van

nature al uitpuilende oogen haast op zijn wangen.

Toen hij Voirey zag, was het of hij lam werd in z’n beenen.

Hij greep zijn hand, die tusschen de vingers van Voirey als in een

nijptang werd geknepen, zonder dat hij ’t voelde. „Jan, is ze dood?”

vroeg hij schor, voor de eerste maal zijn aangetrouwden neef bij den

voornaam noemend.

„Neen.... nog niet.... Er is geen hoop meer. Ze leeft nog... Kom mee.”

Voirey zei het met een strak gezicht, toonloos en met de groote moeite

van ’n man, die niet huilen wil, omdat hij het kinderachtige nonsense

vindt, en het toch zoo graag doen zou, en het haast niet kan laten.

De dokter zat bij het bed; hij stond dadelijk op, en zoo van het helle

licht buiten in de duistere kamer gebracht, kon Vermey ’n oogenblik

niets zien; dan zag hij achter de opgenomen klamboe, een smal, blauw,

bleek kindergezichtje, als een vage vlek tusschen een weelderigen

overvloed mooi blond haar, en een paar oogen, waaruit haast alle licht

weg was; en toen hij zich bevend, dat hij zich vast moest houden,

voorover boog, zag hij in het smalle weggezonken gezicht dat eerst een

poging deed om tegen hem te glimlachen, het vreeselijk lijden, het merk

der groote lichaamssmart, als met een mes gesneden in de scherpe

trekken van het jonge wezen.

Hij wist niet wat hij zei, en hij dacht er ook niet bij, want hij kon

niet denken. Hij noemde haar naam maar, telkens zacht, achtereen; en

hij zag de arme verongelukte glimlach, die wegstierf, de wreede trekken

van pijn en benauwdheid, die als een masker sloegen op het gezicht; de

fletsche oogen, vol loopend met groote opwellende tranen, zachtjes

beurde hij het hoofd op en schoof er zijn breeden arm onder; zachtjes

zoende hij haar op het strakke witte voorhoofd, terwijl zijn tranen

stroomden, en blonken tusschen de zachte golvingen van haar blonde

haar.... hij zag niets meer, en hoorde niets meer en wist niet ’n

seconde of wat later, dat het maar ’n arm, dood lichaam was, waarvan

het hoofd zoo rustig op zijn arm lag. Het was hem zoo hard, zoo

onverwacht op het lijf gevallen; hij kon zich niet langer bedwingen,

hij had het willen uitbrullen van droefheid met dien ontzaglijken

aandrang van alle oppervlakkige menschen, die ineens hun heele

sentiment uitputten en er dan voor goed af zijn,—maar hij bedwong zich

om haar, en schokkend, snikte hij zacht om haar niet te storen, terwijl

Leentje Bruce al niet meer te storen was.

Voirey had gezien, dat het gedaan was; hij had het vertrek verlaten met

’n gezicht als van strak leder en oogen vol rooden gloed, hij was naar

de kamer van Jantje gegaan, die ook onwel was, door den overgang en de

minder zorgvolle behandeling, en die schreiend wakker werd.

Het kind had de handen naar hem uitgestoken en sloeg van plezier, dat

hij het kwam opnemen, met z’n beentjes in de lucht.

Het was ’n aardig slim ding, waarop Voirey verzot was, al deed hij net

of ’t kind hem niet kon schelen; nu nam hij het op, wat hij maar zelden

had gedaan, en liep er onhandig mee heen en weer, tot de meid

binnenkwam, huilende:

„Mevrouw is dood,” zei ze.

Hij knikte en gaf haar het kind.

Toen hij in de sterfkamer terugkwam, was het een heele scène, Vermey

ging verschrikkelijk te keer; de dokter en eenige dames en heeren van

de vrienden en kennissen, deden hun best hem te kalmeeren op een

manier, die de luidruchtigheid dezer smart nog verergerde. Vermey wierp

zich dwars over het bed, zoende het lijk van Lena hartstochtelijk,

jammerde en snikte, en dan haalden de aanwezigen hem er weêr af, en

trachtten hem onder algemeen snikken en huilen en met bedarende woorden

de kamer uit te krijgen.

In een hoek stond met zijn scherp gezicht en gefronste wenkbrauwen

Voirey, die het ongepast vond, en het denkbeeld niet van zich kon

weren, dat daar moedwil of theatralia onder school. Toen het hem te erg

werd, ging hij naar Vermey, die weêr naar het bed was gewaggeld, en hij

nam hem bij den arm:

„Kom, ga mee,” zei hij.

George nam zijn natten zakdoek weg van zijn oogen, die vuurrood zagen

met lichtroode kringen er omheen en terwijl hij door het tranenvlies

dat zijn gezicht verduisterde heenzag, dat Voirey het was, ging hij

stilletjes mee, schokkend en snikkend.

„Dood, dood! Geen woord; geen enkel woord.”

„Laten we niet spreken over bijzaken. De arme Lena is overleden; dat is

het erge feit George, voor je kind...”

„En voor mij!”

„Voor jou, zeker, en.... voor mij ook.”

„Ze was alles voor me,” snikte Vermey.

Voirey kende dat; hij had een blik in het karakter van zijn

aangetrouwden neef, waarvan deze niets vermoedde.

„Ben je in staat voor wat nu te doen staat te zorgen?”

Er was geen denken aan; Vermey was heelemaal tot niks in staat.

„Dan zal ik het doen.”

Even ging Voirey naar binnen, en even drukte hij de smalle hand, die op

het dek lag, koud en stijf, als een stomme afscheidsgroet onder

vrienden. Daarna liet hij zijn rijtuig komen en ging voor de

communicaties, de advertenties, de begrafenis zorgen, met een spoed,

als zat de gewone werkduivel, die hem altijd voortdreef, sterker dan

ooit achter hem.

Het ging met het begraven vlug in het werk. Nog geen vier en twintig

uren was Vermey terug aan den wal of reeds reed hij achter het lijk

zijner vrouw den weg op naar het kerkhof. Er waren veel blijken van

deelneming gekomen. Voor zoover de betamelijkheid en zijn positie als

weduwnaar het gedoogden, had Vermey bij het instappen van het rijtuig

zijn blik laten gaan over het erf, en terwijl hij zijn zakdoek voor den

mond hield, en snikte, en beefde, dacht hij bij zichzelf, dat er zeker

wel dertig wagens stonden.

Langzaam en tamelijk ongeregeld trok de stoet voorwaarts; nu en dan

reden er twee naast elkaar; soms raakten gewone indische paardjes

achter bij de groote stappen van Sydnyers en dan werd op ’n kort drafje

de achterstand door de rest der file heel gemoedelijk eventjes

bijgewerkt. Boven de neêrgeslagen kappen der mylords staken overal

cylinderhoeden omhoog van zeer verschillende „oogstjaren”, zooals de

vorm bewees. Menschen, die ’n ochtendwandeling maakten, stonden stil en

keken of ze er ook kennissen bij zagen; dames kwamen in sarong en

kabaai naar buiten; schoolgaande kinderen, wier pa’s deel uitmaakten

van den stoet, keken naar hen en riepen luid een groet.

Vermey had de raampjes gesloten; hij huilde niet; het had hem dien

verschrikkelijk langen nacht ook al gefrappeerd, dat hij hoegenaamd

geen neiging tot schreien meer voelde als er niemand bij tegenwoordig

was. Hij vond het erg warm in de kleine dichte coupé en langzamerhand

kreeg een denkbeeld bij hem de overhand op alles: ik wou maar dat het

afgeloopen was.

Aan het kerkhof stapte men uit en stelde zich op in een ongeregelde,

zwarte groep, waarboven de echte en de gelegenheidsgezichten droevig

uitkeken, meest naar Vermey, wiens persoon en allures de voornaamste

punten van waarneming waren. En dit scheen op hem dadelijk een

bijzonder weemoedigen indruk te maken, en zijn smart, zoo stil in de

eenzaamheid van den dichten coupé, weêr tot demonstratie te doen

overslaan.

De broertjes, die al aardig uit de kluiten wasten, volgden met hem; ze

waren niet erg bedroefd; ze waren Lena ontwend, en ze zouden nu veel

bedroefder zijn geweest als de mevrouw van de kostschool was gestorven.

Toen de kist met de baar door de dragers op de schouders was getild,

volgden allen bij twee of drie, met hier en daar ’n solitair er

tusschen. Zoo trok men op door de kerkhoflaantjes tot bij ’n kuil,

waarin en uit de inlandsche grafbedienden met hun zwarte baadjes, neer-

en opduikelden. Vermey stond het dichtste bij den kuil en de anderen in

een halven kring achter hem, net of hij over hen het commando zou

voeren; de inlanders haastten zich, als menschen wier dagelijksch werk

dat is, met „bekwamen spoed” een touw om de kist te slaan en haar in

den kuil neêr te laten. Vermey keek erin en zag het gevlamde djatihout

en het glinsterend pleet, dat het lijk van Lena omsloten hield,

tusschen de enge steile wanden van morsige roode aarde, terwijl de

inlanders die beneden waren geweest om te zorgen, dat de kist goed

neêrkwam, zich, vlug en met clownachtige bewegingen, naar boven

werkten.

Afkeer van en angst voor den dood sloeg hem om het hart. Wat was dat

toch verschrikkelijk!

En al kijkende nam hij werktuigelijk van het presenteerblad dat een

bediende hem aanbood, een hand vol mooie frissche rozen, die hij bevend

liet vallen op de kist, waar haar heldere kleur dadelijk verdofte door

de reflectie der vochtig glimmende, roodbruine aardwanden.

Toen deden anderen dat ook. Sommigen met de beslistheid van menschen,

die gewoon zijn zekere formaliteiten nauwgezet te vervullen en daarmeê

uit; anderen weer stuk voor stuk met ernstige gezichten de bloemen naar

beneden werpende, alsof ze op iets mikten of wel aan hun handeling een

bijzondere en hoogere beteekenis wilden geven. Toen er van de menigte

bloemen nog wat overschoot ontfermde Voirey zich daarover; hij wierp

alles te gelijk op de kist als een regen van welriekende rose en witte

blaadjes, een laatste offer van wat rein, schoon en welriekend was,

bestemd om in het smerige gat meê te sterven en te vergaan.

Daarna bedankte Voirey en bracht Vermey weg, wiens knieën schenen te

knikken en die zeer geschokt en aangedaan was.

Samen gingen ze in den coupé en iedereen haastte zich nu naar huis om

uit dat verschrikkelijke zwart lakensche pak te komen, dat zoo weinig

„voor het klimaat is vervaardigd,” en waarop in haast alle rijtuigen

met ’n enkel woord werd afgegeven.

Ook dien dag bleef Voirey in het sterfhuis.

„Wat ben je van plan?” vroeg hij.

„Ik weet het nog niet,” zuchtte Vermey.

„Je moet gauw decideeren.”

„Och, waarom?”

„Voor het huishouden; voor het kind vooral.”

En toen Vermey zweeg.

„Wil ik een juffrouw zoeken. Iemand, „van zekeren leeftijd,

fatsoenlijk, geschikt?””

„Asjeblieft; doe maar net zooals je wilt.”

„Of prefereer je den boel op te breken?”

„En dan?”

„Wel dan bij een familie te gaan inwonen.”

„Ik weet het nog niet.... Ik geloof, dat ik maar hier blijf.... Het is

hier vol herinneringen.”

„Goed,” zei Voirey opstaand, „dan zal ik zorgen, dat je zoo gauw

mogelijk een geschikt mensch hebt.”

Hij had het wel begrepen. Dat was weer de oude geschiedenis: bij het

leven niet de ware liefde, na den dood vergoding. Net als Lena

tegenover de nagedachtenis van den ouden Bruce. Die menschen begreep

hij niet.

’s Avonds kwam hij nog even terug. Hij vond Vermey bezig in de kasten

te kijken.

„Wat was alles prachtig in orde,” zuchtte de weduwnaar.

„Zoo,” antwoordde Voirey onverschillig.

Een huishouden, en in hoever dat naar hollandsche begrippen in orde

mocht heeten, was de minste zijner zorgen.

„Ik heb moeite gedaan voor een dame, die den boel hier zal bestieren.”

„Zij zal haar nooit kunnen vervangen.”

„Dat behoeft ook niet, men kan van iemand, die een bescheiden

maandelijksch salaris verdient....”

„Zoo netjes en ordelijk; zoo onberispelijk tot in de kleinigheden, was

ze!”

„Zeker.”

„Ik kan het niet gelooven! Het is me alsof ik droom!”

„Ja!”

„Eergisternacht sliep ik nog op de boot. Ze hadden me gerustgesteld;

het zou wel zoo’n vaart niet loopen.”

„Dacht je dat ook?”

„Och ja, men denkt graag, wat men hoopt.”

Daarin had hij gelijk, meende Voirey, ofschoon het vreemd was, dat

Vermey hem in staat had geacht lichtvaardig zulk een telegram te

zenden. Hij antwoordde niet meer, toen de andere voortging met

philosopheeren over zijn gestorven vrouwtje en over zijn eigen

omstandigheden. Wat moest hij daarop antwoorden? Vermey zei, dat ze er

zoo goed uitzag toen hij heenging; dat ze nog zoo jong was; hoe

gelukkig ze samen hadden geleefd; hoe trouw ze altijd tot de kleinste

plichten vervulde; hoe lief ze voor hem geweest was; wie aan zoo’n

spoedig en vreeselijk einde had durven denken,—altegaar waarheden als

koeien, die hij uitsprak, als waren het evenveel ontdekkingen, en die

Voirey rustig aanhoorde, omdat het den weduwnaar scheen op te luchten,

terwijl hij intusschen de couranten, die nog onaangeroerd op de tafel

waren blijven liggen, vluchtig inzag.

Plotseling keek hij op en zag Vermey scherp aan, zoodat deze, die op en

neer liep, er stil van stond, en vroeg:

„Wat is er?”

Zoo dadelijk gaf Voirey geen antwoord, hij keek nog eens aandachtig in

de courant.

„Je hebt den dokter nog gesproken, hè?”

„Ja, waarom?”

„Wat zei hij, dat haar had gescheeld?”

„Buikziekte; acute buikziekte; ’n soort dysenterie.”

„Hm! Het is haast onmogelijk.”

„Wat bedoel je, Voirey.”

„Je had niets persoonlijks met anderen. Neen, dat is niet denkbaar.”

Hij keek voor zich met gefronste wenkbrauwen, en Vermey, die niets van

dit brokstuk conversatie begreep, was nieuwsgierig, tegenover hem gaan

zitten.

„Zeg, Vermey, ’n groote gewetensvraag: had je nog iets buitenshuis

terwijl zij leefde?”

Vermey kreeg eerst ’n kleur, als het ware uit oude gewoonte; daarna

ineens begrijpend, wat die vraag thans en zóó gedaan beduidde, werd hij

zeer bleek.

„Wind je niet op,” zei Voirey, die zijn ontsteltenis zag. „Zeg het

zooals het is, George. Tegen mij kun je dat waarachtig wel doen.”

Maar Vermey schudde reeds, terwijl hij nog sprak, heftig met het hoofd.

„Het is niet waar,” riep hij, „het is niet waar! Mijn God, hoe kom je

nu ineens op zoo’n ongelukkig idee?”

„Hierdoor.”

Voirey reikte hem de courant over met zijn grooten duim op een bepaalde

plaats. Het was de mededeeling, dat volgens loopende geruchten een

jonge gehuwde dame tijdens de afwezigheid voor zaken van haar man door

wraakzuchtige inlandsche bedienden zou vergiftigd zijn.

„’t Is gemeen, zoo iets te schrijven!” riep Vermey. „Het is natuurlijk

nonsense!”

„Ik weet het niet; ik ben daar nog zoo zeker niet van.”

Geruimen tijd zaten ze zwijgend bij elkaar.

„Het is een schandaal!” herhaalde Vermey nogmaals met een diepen zucht.

„Och,” zei Voirey, „laat ons er niet verder op doorgaan; er staat geen

naam bij, geen datum en zelfs geen plaats. Hoogstwaarschijnlijk doelt

het op heel wat anders.”

„Als dat mogelijk was....”

„Het is in elk geval, wel beschouwd dwaasheid er nu dadelijk over te

oordeelen. Ik zal morgenochtend informeeren. Mijn eerste indruk komt

mij nu veel te pertinent voor.”

Zoo pratend trachtte hij Vermey weêr van het noodlottig denkbeeld af te

brengen, en toen hij heenging, had hij de overtuiging dat het hem

gelukt was.

Doch ditmaal had Vermey’s houding de scherpzinnigheid van Voirey

bedrogen. Nauwelijks was hij weg of Vermey ging zijn kamer binnen en

liep die wild op en neer, met de handen aan het hoofd en zachtjes,

wanhopend, bij zichzelf herhalend: „Jezus Christus ook dàt nog, ook dàt

nog!”

Hij sliep niet, dien heelen nacht; van zijn kamer liep hij naar de

achtergalerij, ging daar gejaagd heen en weêr, viel in een luierstoel,

zat vijf minuten en keerde weer in zijn kamer terug, achtervolgd door

schrikbeelden en visioenen. Volkomen „op” en uitgeput naar lichaam en

geest, sluimerde hij in, doch om telkens met schrik wakker te worden,

benauwd en met groote koude zweetdroppels op z’n voorhoofd. Toen het

dag werd, keerde de kalmte terug, en drong hij zich, redeneerend bij

zichzelf, het denkbeeld op, dat hij verkeerd had gehandeld door zich

over te geven aan den indruk, dat het waar was.

De noodzakelijkheid stond hem nu klaar en duidelijk voor den geest, dat

zijn positie gebiedend eischte zelfs als het waar was, te doen of het

niet zijn kon.

Hij ging eens zien naar zijn kind, dat rustig sliep; hij liep het erf

op, om van den koelen ochtendwind te profiteeren.

„Wie ben jij?” vroeg hij een hem vreemde inlandsche vrouw, die zich

stond te baden bij den put.

„Ik ben de kokkin, meneer.”

Een huivering ging hem langs den rug; hij voelde dat hij bleek werd.

Strak keek hij de vrouw aan, die met het eenvoudigste donkere gezicht

van de wereld, zijn blik met onverstoorbare kalmte doorstond.

„Hoe lang ben jij hier?”

„Ik ben maar tijdelijk. De andere is ziek geworden, een paar dagen

nadat u waart vertrokken. Als zij beter is, komt ze weer terug.”

Zonder iets meer te zeggen ging Vermey terug. Moest dat er nu ook nog

bijkomen!

"Nummer Elf" · 第 40 / 43 题