Vermey schrikte geweldig en werd doodsbleek.
Hij zat juist zoo lekker te genieten van het eerste koeltje, dat na een
snikheeten dag over de vlakte streek, waarop de suikerfabriek was
gebouwd. Zijn commissie was gegaan als van een leien dakje. Hij had het
op z’n indisch aangepakt; heel kalm en zonder onaangenaamheden, wetend
te leven en te laten leven, maar voet bij stuk. Op die manier had hij
al heel wat bezuinigingen erdoor gekregen en Voirey had daags te voren
getelegrafeerd, dat hij over zijn cijfers tevreden was. Over acht dagen
zou hij gereed zijn en weêr naar huis kunnen. In het behaaglijk gevoel
van zoo goed als klaar te zijn en met succes, dacht hij, liggend in een
luierstoel, en zijn lange beenen met genot uitstrekkend in den
aanwakkerenden luchtstroom, aan zijn terugkeer; want hoe hij ook geëerd
werd en gefêteerd en hoe vleiend dit ook voor hem was in een streek,
waar men hem als nederig beambte had gekend,—oost, west, dacht hij,
thuis best! Dat her-en-der scharrelen onder vreemden was niet aangenaam
meer voor iemand, die het zoo geregeld en comfortabel thuis gewoon was.
„Lena ernstig ziek. Kom dadelijk. Voirey.”
Daar zat hij nu op te kijken in dat nieuwe, pas ontvangen telegram,
verschrikt en bleek. Een paar dagen te voren had hij nog een brief van
haar ontvangen, en die was nu wel niet bijzonder opgewekt, maar ze
schreef toch niets hoegenaamd van ziekte of zoo.
En nu in eens dat telegram!
Het was onbegrijpelijk! Werktuigelijk stond hij op en liep het huis
binnen, waar hij den administrateur, die op het punt stond naar de
fabriek te gaan, nog juist aantrof.
„Dat is ’n treurige tijding,” zei deze meêlijdend, toen hij het
telegram had gezien.
„Wanneer kan ik weg.”
De administrateur dacht een oogenblik na.
„Er gaat een kustboot morgen.”
„Dan ga ik daarmeê.”
„Als u haar maar kunt halen.”
„Zou het gaan?” vroeg Vermey angstig en hij voegde er dadelijk bij:
„Als het niet heelemaal onmogelijk is, moet het gaan.”
„Wist u nergens van?”
„Ik wist van niets,” en hij vertelde van haar laatsten brief.
„Er heerscht toch geen cholera?”
„Ten minste niet voor zoover ik weet.”
„Nu, we zullen naar het telegraafkantoor gaan.”
Vermey begreep dat ook; hij baadde, kleedde zich en liet zijn bediende
de koffers pakken. Het was ineens een heele drukte. De vrouw des huizes
was er zeer meê begaan. Men raadde naar wat het toch wezen kon, en een
half uur later zat Vermey in een rijtuig met den administrateur. De
telegrafische regeling voor de postpaarden, die gestationneerd moesten
worden, gelukte. Den heelen avond en nacht reed hij door, hotsend in
den reiswagen en erg vermoeid. Op ’t laatst kon hij zelfs niet meer
denken, laat staan zich ongerust maken over de ziekte zijner vrouw; hij
viel in slaap ondanks alles.
En toen hij wakker werd, nam hij het geval bedaarder op; wie weet was
het wel zoo erg niet; misschien deed Voirey het meer omdat hij bij
ziekte geen verantwoordelijkheid wilde dragen voor eens anders vrouw.
Ook aan boord van de kustboot paaide en troostte hij zich met die
gedachte, waarin hij zeer versterkt werd.
Hij had het telegram des onheils laten lezen aan den kapitein, en die
had hem ook moed ingesproken.
„Het is meestal ’n beetje overdreven, meneer,” had de kapitein gezegd.
„Is ’t waarlijk?”
„Wel zeker; van de tienmaal, dat ik passagiers heb, die reizen op zulke
telegrammen, loopt het achtmaal gelukkig goed af.”
„Hoe komt men er dan toe te telegrafeeren?”
„Het zijn de zenuwen; men maakt zich spoedig ongerust, en denkt al
gauw; er kon eens iets gebeuren.”
„Dus zoudt u denken...?” vroeg Vermey, wiens aarzelend en weifelachtig
karakter in zoo’n ernstige zaak weêr geheel op den voorgrond trad.
„Wel, ik zou me, als ik in uw plaats was, niet noodeloos ongerust
maken.”
Verruimd wandelde George het dek op en neer. ’t Was gekheid, zich nu
reeds zoo te kwellen; wie weet of zij bij zijn aankomst niet weer
heelemaal beter was; nu, hij verlangde niets liever dan dat!
Maar de kapitein vroeg aan een ander reiziger:
„Kent u dien meneer Voirey?”
De andere knikte herhaaldelijk toestemmend zonder iets te zeggen.
„Wat is het voor een man?”
„U kent hem óók wel. Hij en ik hebben verleden jaar samen een reis
gemaakt met deze boot.”
„Is het die.... Amerikaan, ingenieur, millionnair.... de hemel weet,
wat ze toen van hem zeiden?”
„Volkomen dezelfde.”
„Bliksems!” zei de kapitein met een ernstig gezicht naar Vermey
kijkend. „Zoo, is die het! Dan geloof ik, dat het er heel slecht moet
uitzien met mevrouw Vermey, want die meneer.... Voirey—ik kan dien naam
maar niet onthouden! zag er niet naar uit zich noodeloos bezorgd te
maken.”
De andere schudde weêr het hoofd, maar ditmaal ontkennend om te
bevestigen, dat hij ’t ook niet vond.
„Ik houd,” zei hij, „het mensch voor geconfisceerd.”
Het gerucht deed aan boord de ronde. Hij zal, zei men elkaar, zijn
vrouw wel niet levend meer aantreffen, en die omstandigheid maakte hem
tot een belangwekkend persoon; men verwonderde zich over zijn
zelfbeheersching en kalmte; zelfs zij, die als de kapitein, alles
daartoe hadden bijgedragen, stonden er ten slotte verbaasd van.
Bij de aankomst was er niemand en niets.
Hij had toch getelegrafeerd, dat hij kwam; maar vruchteloos keek hij
rond voor het station op het Koningsplein naar zijn rijtuig.
Het was er niet, en Vermey stapte in een nog beschikbaren
logements-huurwagen. Uit de verte aankomend, keek hij met sterk
kloppend hart naar zijn huis; het stond daar precies zooals bij zijn
vertrek, de zeilen neêr voor het zonlicht; alles netjes, en overigens
niets; zelfs geen bediende op het voorerf.
Maar toen hij naderbij kwam, parallel met het zij-erf, zag hij achter,
onder de loods, rijtuigen en ’n heen en weer geloop; hij schrikte er
van, zenuwachtig ging hij met zijn eenen voet op de trede van het
rijtuig staan, als gereed eruit te springen, wat hij ook deed bij het
oprijden van het erf. De bedienden, die af en aan liepen, achter,
stonden stil toen hij daar zoo kwam aanhollen, ontsteld, met zijn van
nature al uitpuilende oogen haast op zijn wangen.
Toen hij Voirey zag, was het of hij lam werd in z’n beenen.
Hij greep zijn hand, die tusschen de vingers van Voirey als in een
nijptang werd geknepen, zonder dat hij ’t voelde. „Jan, is ze dood?”
vroeg hij schor, voor de eerste maal zijn aangetrouwden neef bij den
voornaam noemend.
„Neen.... nog niet.... Er is geen hoop meer. Ze leeft nog... Kom mee.”
Voirey zei het met een strak gezicht, toonloos en met de groote moeite
van ’n man, die niet huilen wil, omdat hij het kinderachtige nonsense
vindt, en het toch zoo graag doen zou, en het haast niet kan laten.
De dokter zat bij het bed; hij stond dadelijk op, en zoo van het helle
licht buiten in de duistere kamer gebracht, kon Vermey ’n oogenblik
niets zien; dan zag hij achter de opgenomen klamboe, een smal, blauw,
bleek kindergezichtje, als een vage vlek tusschen een weelderigen
overvloed mooi blond haar, en een paar oogen, waaruit haast alle licht
weg was; en toen hij zich bevend, dat hij zich vast moest houden,
voorover boog, zag hij in het smalle weggezonken gezicht dat eerst een
poging deed om tegen hem te glimlachen, het vreeselijk lijden, het merk
der groote lichaamssmart, als met een mes gesneden in de scherpe
trekken van het jonge wezen.
Hij wist niet wat hij zei, en hij dacht er ook niet bij, want hij kon
niet denken. Hij noemde haar naam maar, telkens zacht, achtereen; en
hij zag de arme verongelukte glimlach, die wegstierf, de wreede trekken
van pijn en benauwdheid, die als een masker sloegen op het gezicht; de
fletsche oogen, vol loopend met groote opwellende tranen, zachtjes
beurde hij het hoofd op en schoof er zijn breeden arm onder; zachtjes
zoende hij haar op het strakke witte voorhoofd, terwijl zijn tranen
stroomden, en blonken tusschen de zachte golvingen van haar blonde
haar.... hij zag niets meer, en hoorde niets meer en wist niet ’n
seconde of wat later, dat het maar ’n arm, dood lichaam was, waarvan
het hoofd zoo rustig op zijn arm lag. Het was hem zoo hard, zoo
onverwacht op het lijf gevallen; hij kon zich niet langer bedwingen,
hij had het willen uitbrullen van droefheid met dien ontzaglijken
aandrang van alle oppervlakkige menschen, die ineens hun heele
sentiment uitputten en er dan voor goed af zijn,—maar hij bedwong zich
om haar, en schokkend, snikte hij zacht om haar niet te storen, terwijl
Leentje Bruce al niet meer te storen was.
Voirey had gezien, dat het gedaan was; hij had het vertrek verlaten met
’n gezicht als van strak leder en oogen vol rooden gloed, hij was naar
de kamer van Jantje gegaan, die ook onwel was, door den overgang en de
minder zorgvolle behandeling, en die schreiend wakker werd.
Het kind had de handen naar hem uitgestoken en sloeg van plezier, dat
hij het kwam opnemen, met z’n beentjes in de lucht.
Het was ’n aardig slim ding, waarop Voirey verzot was, al deed hij net
of ’t kind hem niet kon schelen; nu nam hij het op, wat hij maar zelden
had gedaan, en liep er onhandig mee heen en weer, tot de meid
binnenkwam, huilende:
„Mevrouw is dood,” zei ze.
Hij knikte en gaf haar het kind.
Toen hij in de sterfkamer terugkwam, was het een heele scène, Vermey
ging verschrikkelijk te keer; de dokter en eenige dames en heeren van
de vrienden en kennissen, deden hun best hem te kalmeeren op een
manier, die de luidruchtigheid dezer smart nog verergerde. Vermey wierp
zich dwars over het bed, zoende het lijk van Lena hartstochtelijk,
jammerde en snikte, en dan haalden de aanwezigen hem er weêr af, en
trachtten hem onder algemeen snikken en huilen en met bedarende woorden
de kamer uit te krijgen.
In een hoek stond met zijn scherp gezicht en gefronste wenkbrauwen
Voirey, die het ongepast vond, en het denkbeeld niet van zich kon
weren, dat daar moedwil of theatralia onder school. Toen het hem te erg
werd, ging hij naar Vermey, die weêr naar het bed was gewaggeld, en hij
nam hem bij den arm:
„Kom, ga mee,” zei hij.
George nam zijn natten zakdoek weg van zijn oogen, die vuurrood zagen
met lichtroode kringen er omheen en terwijl hij door het tranenvlies
dat zijn gezicht verduisterde heenzag, dat Voirey het was, ging hij
stilletjes mee, schokkend en snikkend.
„Dood, dood! Geen woord; geen enkel woord.”
„Laten we niet spreken over bijzaken. De arme Lena is overleden; dat is
het erge feit George, voor je kind...”
„En voor mij!”
„Voor jou, zeker, en.... voor mij ook.”
„Ze was alles voor me,” snikte Vermey.
Voirey kende dat; hij had een blik in het karakter van zijn
aangetrouwden neef, waarvan deze niets vermoedde.
„Ben je in staat voor wat nu te doen staat te zorgen?”
Er was geen denken aan; Vermey was heelemaal tot niks in staat.
„Dan zal ik het doen.”
Even ging Voirey naar binnen, en even drukte hij de smalle hand, die op
het dek lag, koud en stijf, als een stomme afscheidsgroet onder
vrienden. Daarna liet hij zijn rijtuig komen en ging voor de
communicaties, de advertenties, de begrafenis zorgen, met een spoed,
als zat de gewone werkduivel, die hem altijd voortdreef, sterker dan
ooit achter hem.
Het ging met het begraven vlug in het werk. Nog geen vier en twintig
uren was Vermey terug aan den wal of reeds reed hij achter het lijk
zijner vrouw den weg op naar het kerkhof. Er waren veel blijken van
deelneming gekomen. Voor zoover de betamelijkheid en zijn positie als
weduwnaar het gedoogden, had Vermey bij het instappen van het rijtuig
zijn blik laten gaan over het erf, en terwijl hij zijn zakdoek voor den
mond hield, en snikte, en beefde, dacht hij bij zichzelf, dat er zeker
wel dertig wagens stonden.
Langzaam en tamelijk ongeregeld trok de stoet voorwaarts; nu en dan
reden er twee naast elkaar; soms raakten gewone indische paardjes
achter bij de groote stappen van Sydnyers en dan werd op ’n kort drafje
de achterstand door de rest der file heel gemoedelijk eventjes
bijgewerkt. Boven de neêrgeslagen kappen der mylords staken overal
cylinderhoeden omhoog van zeer verschillende „oogstjaren”, zooals de
vorm bewees. Menschen, die ’n ochtendwandeling maakten, stonden stil en
keken of ze er ook kennissen bij zagen; dames kwamen in sarong en
kabaai naar buiten; schoolgaande kinderen, wier pa’s deel uitmaakten
van den stoet, keken naar hen en riepen luid een groet.
Vermey had de raampjes gesloten; hij huilde niet; het had hem dien
verschrikkelijk langen nacht ook al gefrappeerd, dat hij hoegenaamd
geen neiging tot schreien meer voelde als er niemand bij tegenwoordig
was. Hij vond het erg warm in de kleine dichte coupé en langzamerhand
kreeg een denkbeeld bij hem de overhand op alles: ik wou maar dat het
afgeloopen was.
Aan het kerkhof stapte men uit en stelde zich op in een ongeregelde,
zwarte groep, waarboven de echte en de gelegenheidsgezichten droevig
uitkeken, meest naar Vermey, wiens persoon en allures de voornaamste
punten van waarneming waren. En dit scheen op hem dadelijk een
bijzonder weemoedigen indruk te maken, en zijn smart, zoo stil in de
eenzaamheid van den dichten coupé, weêr tot demonstratie te doen
overslaan.
De broertjes, die al aardig uit de kluiten wasten, volgden met hem; ze
waren niet erg bedroefd; ze waren Lena ontwend, en ze zouden nu veel
bedroefder zijn geweest als de mevrouw van de kostschool was gestorven.
Toen de kist met de baar door de dragers op de schouders was getild,
volgden allen bij twee of drie, met hier en daar ’n solitair er
tusschen. Zoo trok men op door de kerkhoflaantjes tot bij ’n kuil,
waarin en uit de inlandsche grafbedienden met hun zwarte baadjes, neer-
en opduikelden. Vermey stond het dichtste bij den kuil en de anderen in
een halven kring achter hem, net of hij over hen het commando zou
voeren; de inlanders haastten zich, als menschen wier dagelijksch werk
dat is, met „bekwamen spoed” een touw om de kist te slaan en haar in
den kuil neêr te laten. Vermey keek erin en zag het gevlamde djatihout
en het glinsterend pleet, dat het lijk van Lena omsloten hield,
tusschen de enge steile wanden van morsige roode aarde, terwijl de
inlanders die beneden waren geweest om te zorgen, dat de kist goed
neêrkwam, zich, vlug en met clownachtige bewegingen, naar boven
werkten.
Afkeer van en angst voor den dood sloeg hem om het hart. Wat was dat
toch verschrikkelijk!
En al kijkende nam hij werktuigelijk van het presenteerblad dat een
bediende hem aanbood, een hand vol mooie frissche rozen, die hij bevend
liet vallen op de kist, waar haar heldere kleur dadelijk verdofte door
de reflectie der vochtig glimmende, roodbruine aardwanden.
Toen deden anderen dat ook. Sommigen met de beslistheid van menschen,
die gewoon zijn zekere formaliteiten nauwgezet te vervullen en daarmeê
uit; anderen weer stuk voor stuk met ernstige gezichten de bloemen naar
beneden werpende, alsof ze op iets mikten of wel aan hun handeling een
bijzondere en hoogere beteekenis wilden geven. Toen er van de menigte
bloemen nog wat overschoot ontfermde Voirey zich daarover; hij wierp
alles te gelijk op de kist als een regen van welriekende rose en witte
blaadjes, een laatste offer van wat rein, schoon en welriekend was,
bestemd om in het smerige gat meê te sterven en te vergaan.
Daarna bedankte Voirey en bracht Vermey weg, wiens knieën schenen te
knikken en die zeer geschokt en aangedaan was.
Samen gingen ze in den coupé en iedereen haastte zich nu naar huis om
uit dat verschrikkelijke zwart lakensche pak te komen, dat zoo weinig
„voor het klimaat is vervaardigd,” en waarop in haast alle rijtuigen
met ’n enkel woord werd afgegeven.
Ook dien dag bleef Voirey in het sterfhuis.
„Wat ben je van plan?” vroeg hij.
„Ik weet het nog niet,” zuchtte Vermey.
„Je moet gauw decideeren.”
„Och, waarom?”
„Voor het huishouden; voor het kind vooral.”
En toen Vermey zweeg.
„Wil ik een juffrouw zoeken. Iemand, „van zekeren leeftijd,
fatsoenlijk, geschikt?””
„Asjeblieft; doe maar net zooals je wilt.”
„Of prefereer je den boel op te breken?”
„En dan?”
„Wel dan bij een familie te gaan inwonen.”
„Ik weet het nog niet.... Ik geloof, dat ik maar hier blijf.... Het is
hier vol herinneringen.”
„Goed,” zei Voirey opstaand, „dan zal ik zorgen, dat je zoo gauw
mogelijk een geschikt mensch hebt.”
Hij had het wel begrepen. Dat was weer de oude geschiedenis: bij het
leven niet de ware liefde, na den dood vergoding. Net als Lena
tegenover de nagedachtenis van den ouden Bruce. Die menschen begreep
hij niet.
’s Avonds kwam hij nog even terug. Hij vond Vermey bezig in de kasten
te kijken.
„Wat was alles prachtig in orde,” zuchtte de weduwnaar.
„Zoo,” antwoordde Voirey onverschillig.
Een huishouden, en in hoever dat naar hollandsche begrippen in orde
mocht heeten, was de minste zijner zorgen.
„Ik heb moeite gedaan voor een dame, die den boel hier zal bestieren.”
„Zij zal haar nooit kunnen vervangen.”
„Dat behoeft ook niet, men kan van iemand, die een bescheiden
maandelijksch salaris verdient....”
„Zoo netjes en ordelijk; zoo onberispelijk tot in de kleinigheden, was
ze!”
„Zeker.”
„Ik kan het niet gelooven! Het is me alsof ik droom!”
„Ja!”
„Eergisternacht sliep ik nog op de boot. Ze hadden me gerustgesteld;
het zou wel zoo’n vaart niet loopen.”
„Dacht je dat ook?”
„Och ja, men denkt graag, wat men hoopt.”
Daarin had hij gelijk, meende Voirey, ofschoon het vreemd was, dat
Vermey hem in staat had geacht lichtvaardig zulk een telegram te
zenden. Hij antwoordde niet meer, toen de andere voortging met
philosopheeren over zijn gestorven vrouwtje en over zijn eigen
omstandigheden. Wat moest hij daarop antwoorden? Vermey zei, dat ze er
zoo goed uitzag toen hij heenging; dat ze nog zoo jong was; hoe
gelukkig ze samen hadden geleefd; hoe trouw ze altijd tot de kleinste
plichten vervulde; hoe lief ze voor hem geweest was; wie aan zoo’n
spoedig en vreeselijk einde had durven denken,—altegaar waarheden als
koeien, die hij uitsprak, als waren het evenveel ontdekkingen, en die
Voirey rustig aanhoorde, omdat het den weduwnaar scheen op te luchten,
terwijl hij intusschen de couranten, die nog onaangeroerd op de tafel
waren blijven liggen, vluchtig inzag.
Plotseling keek hij op en zag Vermey scherp aan, zoodat deze, die op en
neer liep, er stil van stond, en vroeg:
„Wat is er?”
Zoo dadelijk gaf Voirey geen antwoord, hij keek nog eens aandachtig in
de courant.
„Je hebt den dokter nog gesproken, hè?”
„Ja, waarom?”
„Wat zei hij, dat haar had gescheeld?”
„Buikziekte; acute buikziekte; ’n soort dysenterie.”
„Hm! Het is haast onmogelijk.”
„Wat bedoel je, Voirey.”
„Je had niets persoonlijks met anderen. Neen, dat is niet denkbaar.”
Hij keek voor zich met gefronste wenkbrauwen, en Vermey, die niets van
dit brokstuk conversatie begreep, was nieuwsgierig, tegenover hem gaan
zitten.
„Zeg, Vermey, ’n groote gewetensvraag: had je nog iets buitenshuis
terwijl zij leefde?”
Vermey kreeg eerst ’n kleur, als het ware uit oude gewoonte; daarna
ineens begrijpend, wat die vraag thans en zóó gedaan beduidde, werd hij
zeer bleek.
„Wind je niet op,” zei Voirey, die zijn ontsteltenis zag. „Zeg het
zooals het is, George. Tegen mij kun je dat waarachtig wel doen.”
Maar Vermey schudde reeds, terwijl hij nog sprak, heftig met het hoofd.
„Het is niet waar,” riep hij, „het is niet waar! Mijn God, hoe kom je
nu ineens op zoo’n ongelukkig idee?”
„Hierdoor.”
Voirey reikte hem de courant over met zijn grooten duim op een bepaalde
plaats. Het was de mededeeling, dat volgens loopende geruchten een
jonge gehuwde dame tijdens de afwezigheid voor zaken van haar man door
wraakzuchtige inlandsche bedienden zou vergiftigd zijn.
„’t Is gemeen, zoo iets te schrijven!” riep Vermey. „Het is natuurlijk
nonsense!”
„Ik weet het niet; ik ben daar nog zoo zeker niet van.”
Geruimen tijd zaten ze zwijgend bij elkaar.
„Het is een schandaal!” herhaalde Vermey nogmaals met een diepen zucht.
„Och,” zei Voirey, „laat ons er niet verder op doorgaan; er staat geen
naam bij, geen datum en zelfs geen plaats. Hoogstwaarschijnlijk doelt
het op heel wat anders.”
„Als dat mogelijk was....”
„Het is in elk geval, wel beschouwd dwaasheid er nu dadelijk over te
oordeelen. Ik zal morgenochtend informeeren. Mijn eerste indruk komt
mij nu veel te pertinent voor.”
Zoo pratend trachtte hij Vermey weêr van het noodlottig denkbeeld af te
brengen, en toen hij heenging, had hij de overtuiging dat het hem
gelukt was.
Doch ditmaal had Vermey’s houding de scherpzinnigheid van Voirey
bedrogen. Nauwelijks was hij weg of Vermey ging zijn kamer binnen en
liep die wild op en neer, met de handen aan het hoofd en zachtjes,
wanhopend, bij zichzelf herhalend: „Jezus Christus ook dàt nog, ook dàt
nog!”
Hij sliep niet, dien heelen nacht; van zijn kamer liep hij naar de
achtergalerij, ging daar gejaagd heen en weêr, viel in een luierstoel,
zat vijf minuten en keerde weer in zijn kamer terug, achtervolgd door
schrikbeelden en visioenen. Volkomen „op” en uitgeput naar lichaam en
geest, sluimerde hij in, doch om telkens met schrik wakker te worden,
benauwd en met groote koude zweetdroppels op z’n voorhoofd. Toen het
dag werd, keerde de kalmte terug, en drong hij zich, redeneerend bij
zichzelf, het denkbeeld op, dat hij verkeerd had gehandeld door zich
over te geven aan den indruk, dat het waar was.
De noodzakelijkheid stond hem nu klaar en duidelijk voor den geest, dat
zijn positie gebiedend eischte zelfs als het waar was, te doen of het
niet zijn kon.
Hij ging eens zien naar zijn kind, dat rustig sliep; hij liep het erf
op, om van den koelen ochtendwind te profiteeren.
„Wie ben jij?” vroeg hij een hem vreemde inlandsche vrouw, die zich
stond te baden bij den put.
„Ik ben de kokkin, meneer.”
Een huivering ging hem langs den rug; hij voelde dat hij bleek werd.
Strak keek hij de vrouw aan, die met het eenvoudigste donkere gezicht
van de wereld, zijn blik met onverstoorbare kalmte doorstond.
„Hoe lang ben jij hier?”
„Ik ben maar tijdelijk. De andere is ziek geworden, een paar dagen
nadat u waart vertrokken. Als zij beter is, komt ze weer terug.”
Zonder iets meer te zeggen ging Vermey terug. Moest dat er nu ook nog
bijkomen!