Den volgenden ochtend was er op ’t kantoor onder zijn brieven één, dien
hij met gefronste wenkbrauwen open maakte. Een aankomend jongmensch,
erg donker, in een kaal jasje en met een witte broek aan, waarvan de
pijpen een franje-garnituur van rafels vertoonden, was de „brenger”.
Dat jonge mensch, schreef Yps, in het briefje, dat beter gesteld en
gespeld was dan men haar hoorende praten, ooit zou voorondersteld
hebben, was haar neef. Zij verzocht heel onderdanig mijnheer of hij
dien jongeling niet aan een betrekking kon helpen; mijnheer zou haar
dan een heel groot genoegen doen. Aan den bovenhoek der eerste
bladzijde, links, stond met vette letters, haar tegenwoordig adres en
daaronder tusschen haakjes: „Ik ben den heelen dag thuis.”
Vermey las dat alles met saamgeknepen lippen, niet wetend hoe het
zaakje te behandelen. Die neef,—nu ja. Dat was ook maar poera-poera!
Het feit, dat zij weer op haar zelve woonde en waar, was natuurlijk de
zaak. En ofschoon hij dat besefte, zei hij niet ineens, kort en bondig,
tot den jongen, dat hij hem niet kon helpen en verscheurde hij ook den
brief niet.
„Ik zal ’reis kijken. Op ’t oogenblik is er niets. Kom ’n volgende week
maar eens terug.”
Als een stomme knecht in een blijspel, boog het mannetje diep, zonder
een woord te spreken, en vertrok met ongemotiveerden spoed, alleen
omdat hij bang was, dat die totok-meneer hem soms in ’t hollandsch
vragen zou doen, die hij zou moeten beantwoorden, zonder maleisch er
bij.
Vermey bleef laat op ’t kantoor, dien dag. Toen hij naar huis reed en
eenigszins in de buurt kwam van het gangetje, dat men moest ingaan om
in de kampong te komen, waar Yps woonde, keek hij er met belangstelling
naar, schoon er niets aan te zien was; het was curieus, dacht hij, hoe
goed dat briefje was geschreven. Ja, dat had ze in haar jeugd op school
geleerd, doch als haar mond openging.... hij glimlachte. Het was me ’n
taaltje! Maar hij dacht aan haar thans, zonder boosheid en zonder vrees
voor zijn positie; hij dacht aan haar op ’n heel andere manier! Het
trof hem niet, dat verschil, en hij verdiepte zich ook niet in
wijsgeerige bespiegelingen over de macht der sexueele behoefte, bij
haar toename strijdend tegen alle consideratie en moraal. Daar was hij
de man niet naar; in ’t geheel niet! Zij stond hem nu voor oogen in de
weelderigheid harer veerkrachtige vormen, met al het aangename bekende
en familiare daarvan, en hij trachtte zich niet te onttrekken aan de
bekoring van dat beeld; hij bleef ernaar kijken met de oogen zijner
verbeelding, bijtend op z’n sigaar alsof hij die pruimen in plaats van
rooken moest.
Toch vormde hij geen plannen van uithuizigheid; hij zou en wilde het
nog altijd niet doen, maar hij drong zich dat niet meer zoo krachtig op
met ’n soort van kwaadaardig verzet. Hij dacht nu meer, dat zijn
onthouding een fataliteit was, waaraan men zich onderwierp omdat...
enfin, omdat het netjes was en behoorlijk.
Ten slotte vond hij het vervelend, dat hij zoo bezeten werd door zijn
hersenwerking in die richting en de gevolgen van dien.
Hij was toch niet te jong getrouwd, meende hij, en hoe drommel kon hij
dan nu zoo ongeduldig zijn en dagen lang zoo’n last hebben en zoo
geplaagd worden door de fantastische beelden van zijn geest?
De heele week liet hem dat niet los, en toen hij Zaterdagsmiddags thuis
kwam, zag hij zuchtend op tegen den luien Zondag, die met haar
ledigheid en haar extra-halfje champagne, dat hij ’s ochtends altijd
„pakte”, in zijn omstandigheden een waar oorkussen van den duivel was.
Met Lena vorderde het niet hard. Zij bleef zwak en sukkelend. Het was
zoo jammer, vond hij, dat ze zoo frèle was! Drommels, als hij dacht aan
die vrouwen van anderen met haar volle schouders en krachtig
ontwikkelde busten, dan vond hij, dat, hoe voordeelig zijn huwelijk ook
had gewerkt op zijn sociale positie, hij van den anderen kant veel te
kort kwam. Mismoedig slurpte hij zijn kop thee. Die gedachten deden hem
weer geen goed! En hij wilde voor geen geld Lena met aanhaligheid
lastig vallen. Dat had hij zóó ignobel gevonden, zoo onbehoorlijk en
onkiesch, dat het denkbeeld alleen hem ’n kleur deed krijgen van
schaamte over zichzelven.
„Ga je niet eens naar de Sociëteit vanavond?” vroeg Lena, terwijl zij
zijn thee schonk.
„Och wat moet ik er doen?”
„Nu, dat wist je toch in vroeger jaren heel goed.”
„Ja,... toen! Maar dat is nu heel anders.”
„Je zoudt er toch wel ’n partijtje kunnen maken, dat doen zooveel
heeren!”
„Wil je me zoo graag uit het huis hebben?”
„Dat weet je wel beter George! Maar ik vind het zoo’n naar idee dat je
om mijnentwille je hier zoo gruwelijk zit te vervelen elken avond. Ik
heb dan nog veel liever, dat je eens uitgaat nu en dan.”
Wat was ze toch goed en lief voor hem, dacht hij, en hij glimlachte
tegen haar.
„Naderhand,” zei ze „als ik weêr heelemaal beter ben, gaan we samen
naar de muziek luisteren.”
„Of we blijven,” zei hij, opzettelijk dubbelzinnig „samen thuis.”
Ze lachte omdat hij het ook deed, maar ze voelde zich niet, zooals ze
meende, dat ze zijn moest. Slechts uiterst langzaam sterkte ze aan. Ze
gebruikte melk, eieren, bouillon en al wat maar eenigszins tot de
gewone „versterkende middelen” wordt gerekend; het hielp niet. Het
verdroot haar, want ze was heel graag spoedig hersteld geweest,
hoofdzakelijk voor George, die ze wel begreep, dat zeer daarmee gebaat
zou zijn geweest.
Dan, wat kon ze er aan doen?
„Nu,” zei hij verder, „we zullen eens zien. Misschien ga ik een
uurtje.”
„Doe het.... wezenlijk!”
„Ik heb geen plezier zoo alleen naar de muziek te gaan luisteren.
Misschien vind ik in de Harmonie wel lui. Zoo niet dan kom ik heel gauw
weer naar huis.”
Het deed haar goed, dat hij ging en ze keek hem tevreden na, toen hij
haar gekust had en uit de galerij met een stap zijner lange beenen in
den wachtenden mylord zat.
Doch in de Sociëteit vond hij geen partners en in zijn eentje liet hij
zich neer op een der stoelen, en achter het ijzeren hek om de smalle
omloopende galerij, zijn ponsje drinkend keek hij naar den overkant.
Daar was het gangetje! Wat zou het hem nu weinig moeite kosten. Er
waren geen lui op den weg, ten minste haast niet dan inlanders! En geen
lantaarns aan buiten, terwijl de maan, die volgens den kalender voor de
verlichting behoorde te zorgen, zich listiglijk achter de wolken hield
verscholen. Hij zou het echter niet doen, hoe groot ook zijn lust was,
en om zich te verzetten ging hij naar de biljartzaal, die ook maar
matigjes was bezocht, maar waar toch werd gespeeld. Eindelijk kwamen
eenige bezoekers; het gelukte Vermey er drie onder te vinden, waarmede
hij, die nu nogal kieschkeurig was om zijn „positie,” meende een
partijtje te kunnen maken.
Het ging tegen hoog tarief en het duurde tot laat.
Vermey, die in langen tijd niet had gespeeld, genoot van een
hardnekkige veine en kreeg toen het uit was, van iedereen een betaling,
die een eerzaam Nederlander gewoon te omberen tegen een halven stuiver
het fiche, gevaar had doen loopen een beroerte van ergernis te doen
krijgen over zulk „grof” spel.
Het had hem prettig gestemd. Niet om het geld, dat had hij niet noodig,
maar om het succes; hij was slechts een hoogst middelmatig speler, die
nogal eens deed, wat hij niet doen moest.
„Rijdt ge mee?” vroeg een zijner partners.
„Dankje, ik heb mijn wagen hier.”
„Blijf je dan nog?”
„Ik ga eens naar het biljarten kijken; ik ben zoo stijf in m’n beenen.”
’t Was thans drukker in de biljartzaal; er werd pot gespeeld, poule,
carambole,—van alles. Het was onder het helle licht der gaslampen een
aanhoudend vooroverbuigen van bovenlijven in overhemden boven het
grasgroene laken met zijn bestorven tintje, dat zich grijs afteekende
langs de banden.
Vermey stond bij een groot biljart waar engelsche officieren van een
oorlogschip, dat op de reede lag, ’n partijtje maakten. Er keken veel
lui toe, allen eenigszins verwonderd over het feit, dat die vreemde
heeren iets zoo veel meer schepeling-achtigs over zich hadden dan
hollandsche marine-officieren, ja er zelfs een bij was, die bretelles
droeg en een blauw anker op den rug van z’n rechterhand.
Zonder eenig plan, dan om z’n beenen, die stijf waren van het zitten ’n
beetje uit te rekken, was Vermey naar het biljarten gaan kijken, doch
het verveelde hem al heel gauw; hij ging opzij van de zaal op het
galerijtje staan en keek eens naar de lucht, die geheel was opgeklaard.
Er ging een frisch koeltje over den weg, en George die om ervan te
profiteeren zijn hoed een oogenblik in de hand hield, vond het erg
lekker. Hij rekte zich eens uit, met een gevoel van gezondheid en
kracht in zijn leden; hij trommelde met z’n stok op het ijzeren hek en
floot er zacht ’n deuntje bij. Langzaam flaneerde hij naar den
achterkant van het gebouw en vandaar den weg op.
Zijn koetsier, die vóór het gebouw wachtte met het rijtuig, sliep als
een os; hij liet hem slapen; hij wandelde verder naar den overkant;
eerst dacht hij er haast niet bij, schoon hij heel goed wist, welke
magneet hem dien kant uittrok. Toen had hij een gek gevoel in hem,
alsof zich bezwaren op bezwaren stapelden, die zich met kracht en macht
verzetten, tegen hetgeen hij ging doen. Het was of er twee menschen in
hem levend waren, twee afzonderlijke menschen. De een die redeneerde en
heftig uitvoer tegen elke gedachte om naar zijn oude huishoudster te
gaan; die hem al de ellende opsomde, waartoe het leiden kon; al het
onvergeeflijk gemeene van de daad voor oogen hield; al het
tegenstrijdige toonde tusschen zijn tegenwoordige maatschappelijke
omstandigheden en dien tocht; de andere, die hem bestormde met eene
groote zucht naar voldoening van lusten, en die hem als machinaal de
lange beenen bewoog, het een voor het ander, in de richting van het
gangetje. De eene mensch zonder steun in zijn tegenstreven op
godsdienst of afzonderlijke zedenleer; de ander onder een krachtigen
physiologischen invloed.
In het gangetje was het nog licht, maar in de kampong brandde enkel
hier en daar een „gloeiende spijker.” Aan terugkeeren dacht hij nu niet
meer; wel kwam de gedachte bij hem op: als daar eens iemand anders was.
En dat denkbeeld deed hem huiveren, waarom wist hij zelf niet, maar
zeker niet omdat de verwezenlijking ervan hem reëel verdriet zou doen.
Een inlander, die nog aan een altijd gereed zijnde warong zat, wees hem
op zijn navraag den weg. Men kende haar goed naar het scheen, en ver
was het ook niet. Het viel hem niet mee. ’t Was een houten huisje van
gewitte planken; veel plekken van het hout waren van de witkalk
ontbloot, die er in groote duimkoeken was afgevallen.
Vermey lichtte de groene krees op en trad in een voorgalerijtje met den
aardbodem tot vloer, een bruin rond tafeltje geflankeerd door twee oude
wipstoelen tot pièce de milieu, en anders niets.
Zachtjes tikte hij tegen de deur; toen er antwoord kwam, zei hij zijn
naam en dadelijk werd opengedaan met dat bekende zacht rollende lachje.
„Wat woon je hier beroerd,” mopperde Vermey.
„Heb op jou gewacht.”
„Nou ja!”
„Soengoe matie, Sors!” riep ze zich op de bloote borst slaande,
ofschoon de waarheid was, dat zij juist dien dag een nieuwe tijdelijke
gezelligheidsovereenkomst had aangegaan. Hij bekeek haar nieuwsgierig
onder het licht van het kleine lampje en vond glimlachend, dat ze haast
alles had behouden; dat ze nog zeer veel aantrekkelijks had en dat hij
toch maar wijs had gedaan van deze gelegenheid gebruik te maken, het
zou krankzinnig zijn geweest dat niet te doen!
Een half uur later scheen zij hem een vuil, smerig vrouwspersoon,
schaamde hij zich voor zichzelf, dat hij, aan zoo’n nette, gesoigneerde
omgeving gewoon, niet te vies was geweest om een voet te zetten in dit
krot; dat hij, die een eerzaam huwelijksleven leidde in den laatsten
tijd, zoo incomfortabel en proper zich had kunnen verlagen tot die
inlandsche deerne van Jan-en-alleman. Nu rook hij weêr dat het er
letterlijk stonk! Nu zag hij het ongedierte, dat opwandelde tegen de
klamboe, en bij het schijnsel van het lichtje zag hij het bed met
smerig ongewasschen linnengoed, met sporen van beoliede hoofden en
beslijkte hielen. Een rilling van afschuw en schaamte liep hem door het
lijf. Hoe was het in godsnaam mogelijk, dat hij zoo iets had
ondernomen! Woedend op zichzelven, walgend van Yps en haar omgeving
greep hij in zijn portemonnaie, gaf haar een groot deel van zijn winst,
en ging haastig heen. Buiten nam zijn spijt nog toe. Hij had veel
willen geven, als het niet was gebeurd! Doch toen hij zijn rijtuig weêr
had opgezocht en naar huis reed, was hij er kalm onder geworden. Het
was immers gepasseerd! Geen haan kraaide ernaar; en nu zou hij weer
rustig kunnen slapen zonder visioenen en kwellingen, tot Lena geheel
was hersteld. Dat was dan althans de goede zijde, vond hij.
Met haar loshangenden overvloed van blauw-zwart, grof haar op den rug
en de bloote beenen, donkerder dan van een gewone inlandsche, heen en
weer bengelend, was Yps, toen hij heen ging, blijven zitten op den rand
van het vieze ledikant. Zij had in het geheel geen acht geslagen op het
gezicht van Vermey, noch op zijn teruggetrokken afkeerigheid bij het
heengaan. Zij had hem met eenig vertoon omarmd en gezoend; hij had geen
repliek gegeven, en dat verheugde haar; zij hield er niet van; zij
wist, dat het zoo hoorde bij europeesche menschen; maar ze vond het
vies. Nu keek ze met wellust naar het geld in haar hand. Wat was hij
royaal geweest, en hoe erg lief was dat van hem! Hij moest toch wel
heel rijk zijn! En hij zou zeker terugkomen, zooals hij nu, ondanks
zijn tegenspartelen, teruggekomen was. Het was nu de eerste stap
geweest, en die, dat wist ze reeds als kind, is de eenige, die kost; de
rest gaat vanzelf. „Sleem” geweest van haar, dacht ze, dat briefje te
schrijven! Wat had hij haar adres goed onthouden! Hij vond het zoo’n
armoedig krot, en daarin had hij gelijk. Voor een heer als hij, ging
het niet in zoo’n kamponghuisje te komen. Zij zou den volgenden dag
dadelijk gaan verhuizen en wat afbetalen van haar schuld aan den
Chinees, dan had ze weer crediet voor meubels. Haar pas aangegane
overeenkomst met een ander zou ze breken. Wilde die in stilte eens bij
haar ’n bezoek brengen, dat moest hij weten, maar in hoofdzaak zou zij
zich nu weer aan Vermey houden, aan „Sors”, die oude, royale relatie,
die nu weer was gekomen en met zooveel geld in den zak.
Toen ze haar gedragslijn dus had vastgesteld liet zij heel gemoedelijk
haar hoofd neer op het groezelige, vettige kussen en sliep in een paar
minuten, zoo volkomen vrij van elke verdere gedachte over haar leven en
gedrag, dat de bekende slaap des rechtvaardigen er een onrustige
sluimering bij was.
Vermey was heel zachtjes thuis gekomen, maar toch was Lena ervan wakker
geworden; toen hij op zijn teenen haar kamer passeerde, schrikte hij;
zij deed de deur op een kier open en keek hem aan.
„Zoo, ben je daar?”
„Ja,.... het is wat laat geworden.”
„’t Komt er niet op aan. Morgen is het Zondag, dan kan je uitslapen.”
„Ben je vroeg naar bed gegaan?”
„Heel vroeg; ik voel me lekker uitgerust.”
„Ik niet; ik ben moe.”
„Ga dan maar gauw naar je kamer. Wel te rusten!”
Zij stak haar hoofd ’n eindje buiten de deuropening, met de blijkbare
bedoeling, dat hij haar goenacht zou kussen.
Vermey kreeg er een kleur van, en een oogenblik aarzelde hij, beschaamd
door de gedachte, dat hij dit reine, fatsoenlijke vrouwtje zou zoenen
met den mond, waarop nog geen kwartier geleden de vieze deerne haar
lippen had gedrukt.
„Nu?” vroeg Lena verwonderd glimlachend.
Hij boog zich naar haar voorover.
„Het is maar,” zei hij, toen hij haar had gekust, „dat iemand, die om
vier uren ’s nachts uit de kroeg komt, nu juist geen frissche geuren
mee naar huis brengt.”
„Neen,” zei Lena lachend, „je ruikt verschrikkelijk naar brendy en
tabak.”
„Waarom wou je het ook?” antwoordde hij, vroolijk op z’n beurt, dat er,
hoe ondenkbaar het ook was, geen viezer, verdachter luchtjes waren
getrokken in z’n haar en z’n kleeren.
„Het komt er immers niet op aan. Ga nu maar gauw slapen.”
Hij ging naar z’n kamer en naar bed, maar slapen kon hij niet. Een ding
nam hij zich met groote zekerheid voor: het was voor de eerste maal
geweest, doch ook voor de laatste. Als Lena nu in ’s hemelsnaam maar
spoedig ’n beetje vooruitging! Maar als ze dan eens vlug vooruitging,
en het geval deed zich eens voor, dat die nachtelijke excursie voor hem
noodlottige gevolgen bleek te hebben! Daaraan had hij nog geen
oogenblik eer gedacht! Hij kreeg het plotseling verschrikkelijk warm in
z’n bed, schoon het een bij uitzondering frissche nacht was. Hij
bloosde diep donkerrood in zijn eenzaamheid; het zweet begon hem,
naarmate hij zich in dit gedeelte der quaestie verdiepte, met groote
droppels langs het voorhoofd te vloeien; hij ging het bed uit en stelde
zich, zonder erop te letten, ten prooi aan een geduchten aanval der
muskieten; hij keek rond naar middelen, die ook maar eenigszins konden
voorkomen, wat hem daar als een ontzettend schrikbeeld voor den geest
was gekomen, en hij nam wat hij vond.
Het schot viel; er kwam leven in de lucht en op de aarde; de vogels
floten in de waringins; bedienden kwamen uit hun vertrekken en baadden
aan de put; sapoe’s krauwelden vegend over de steenen; het kind
schreeuwde, de meid opende met gedruisch de binnendeur; het werd dag,
voordat Vermey, doodmoe, in slaap viel. Doch hij was zulke staaltjes
van leven niet meer gewoon. In vroeger jaren kwam dat heel dikwijls
voor, en dan kon hij daarna slapen, slapen! Nu,—het was gek, maar hij
hoorde alles, sluimerde licht en onrustig, en was een paar uren later,
tegen kantoortijd weêr klaar wakker; maar landerig en onlekker.—Waarom
rust je niet nog wat uit? had Lena gevraagd, maar hij wilde niet.
Toen hij eenige dagen later, in veel opzichten reeds gerustgesteld, een
briefje kreeg op z’n kantoor, dat door Yps was geschreven, werd hij
woedend. Ditmaal kwam het per post; zij schreef heel beleefd en zonder
eenige woordspeling, dat zij zoo vrij was meneer te herinneren aan het
verzoek haar te willen helpen om haar neef als klerk geplaatst te
krijgen. Iedereen had dat briefje kunnen lezen, zonder tot eenige kwade
gedachten te komen.
Alleen aan den bovenhoek links stond haar nieuw adres.
Dat kan je begrijpen! zei Vermey bij zichzelven, en met een
triomfantelijken glimlach. Lena was in de laatste dagen zoo in krachten
toegenomen, en ze gevoelde zich zóó bijzonder wel, dat de dokter had
gezegd niet weer terug te komen, en aan Vermey had hij eenige wenken
gegeven, die dezen eventjes ’n kleur hadden doen krijgen en hem hadden
doen glimlachen met toestemmende hoofdknikjes.
Het had hem opgevroolijkt. Duivels, dat was zoo ook geen leven geweest;
hij werd grappig en vertelde aardigheden; en hij trok Lena op z’n
schoot en kuste haar; dat durfde hij nu wel doen. En daar kwam dat.....
die..... zoo’n....., de eene uitdrukking, die hij in gedachten Yps naar
het hoofd wierp, was al smadelijker dan de andere! Neen, zij mocht in
haar nieuwe woning zien, dien ze wilde,—zijn, Vermey’s, voetstappen
zouden er nooit in gezet worden!