ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

„HIJ LIJKT SPREKEND OP ZIJN VADER.”

„Ik heb mijn middel toegepast,” zei Voirey ’n paar dagen later, terwijl

hij weêr heel plotseling voor George en Lena stond. George kreeg ’n

kleur als vuur en gesticuleerde heftig achter den rug zijner vrouw om

toch den mond te houden.

„Welk middel?” vroeg Lena nieuwsgierig, terwijl ze hem de hand gaf.

„Och ik sprak laatst met George over het beste middel van

geldbelegging.”

„O, zoo,” zei ze onverschillig. Dat liet haar nu geheel koud! Maar

George klaarde op.

„En tot welke conclusie ben je gekomen?” vroeg hij. Voirey haalde met

geringschatting de schouders op.

„Niet veel zaaks. Vooral niets nieuws. Het beste is nog zooals de ouwe

lui doen.”

„En dat is?”

„Mijn God, weet je dat niet? O. n. r. o. e. r. e. n. d. e. goederen.

Huizen, meneer. Goede huizen op goeden stand. Ik heb het perceel

hiernaast gekocht.”

„Wat blief?” riep Vermey ten uiterste verwonderd.

„Waarom niet. Qui veut le fin enz. Nu wie huizen wil hebben, dient ze

te koopen of te bouwen.”

„En ga je er wonen?”

„Precies geraden, Lena.”

„Je eigen huis is veel mooier en grooter. Je vermindert dus. De lui

zullen het vreemd vinden.”

„Ik houd mijn andere huis ook aan.”

„Maar dat is pure geldverspilling,” riep Lena boos. „Wat ’n idee om

zooveel geld weg te gooien.”

Doch Vermey knikte goedkeurend met het hoofd en zei:

„Maak jij je er niet noodeloos druk om, Lena; hij heeft er natuurlijk

iets meê voor, dat hij ons nog niet zeggen wil.”

Hij voor zich vond het inderdaad een mal idee; een amerikaansche

buitensporigheid, alleen te verwachten van lieden, die eigenlijk met

hun geld geen raad wisten.

„Wel, wat zeg je van mijn wondermiddel?” vroeg Voirey, toen ze samen

alleen waren.

„Een paardenmiddel is het zeker.”

„Het schijnt je niet erg te bevallen.”

„Ik vind het overdreven. Het is alsof men een paard koopt om een

hoefijzer te hebben.”

„Jij wist toch geen ander middel om de meid weg te krijgen.”

„Neen, maar....”

„Welnu, zanik dan niet. Ik heb het huis gekocht en de jongelui de huur

opgezegd.”

„Tegen wanneer?”

„Als ze toch verhuizen moesten, zeiden ze, dan maar zoo gauw mogelijk.

Ik zei, dat ze op staanden voet konden gaan als ze wilden. Over een

paar dagen komt het huis leeg.”

„En dan?”

„Dan ben ik van idee veranderd. Ik houd het niet voor me zelven maar

verhuur het aan.... soliede, getrouwde menschen.”

Hij dreef met het gevalletje weer den spot; dat hoorde Vermey duidelijk

aan zijn stem, en het hinderde ook nu. Wat drommel, als hij het zoo

bespottelijk onbeduidend vond, waarom kocht hij er dan een heel huis

voor?

Ze zaten een oogenblik zwijgend bij elkaar.

Toen zei Vermey:

„Ik begrijp nog niet, dat je er zooveel moeite en geld aan hebt

besteed.”

„Niet?”

„Neen! Als je er over spreekt is het altijd op ’n ironische manier, net

of je die pogingen van mijn vroegere snaar ’n kinderspelletje vindt,

dat niets te beduiden heeft.”

„Het is, waarachtig, ook niet anders.”

„En om het te beletten....”

„Zeker, zeker, ik koop om het te beletten een huis van achttien mille,

dat ik niet noodig heb en waarvan ik me zoo gauw mogelijk denk te

ontdoen.”

„Maar dat is dan toch verduiveld gek.”

„Toch niet. Ik vind het gebeurde ’n kinderspelletje, maar ik ben

overtuigd, dat het op ernst zou uitdraaien en dan werd het een ernst

die Lena ongelukkig zou maken.”

Vermey kreeg ’n kleur als vuur.

„Dat is een beleedigende vooronderstelling.”

„Dan moet je me maar uitdagen; twee pilletjes en de zaak is gereed. Ik

zeg je mijn overtuiging.”

„Die geheel valsch is.”

„Die volkomen gegrond is. Jij bent geen man om lang voor zulke vuurtjes

te staan. Nu gaat het nog goed. Maar laat Lena haar bed eens moeten

houden weken achtereen.”

„Och, maar zou je dan denken, dat ik....?”

„Waarom zou ik dat niet denken? Je bent wel bij die oude vlam van je

geweest, den avond van je engagement.”

Bleek keek Vermey voor zich, zóó trof hem dit onomwonden standje, en

verlegen beet hij zich op de lippen.

Toen hij niets zei, stak Voirey heel bedaard ’n versche sigaar op en

vervolgde:

„Je moet je maar niks aantrekken, old fellow! Je bent nu eenmaal niet

anders. Wil je het tegendeel bewijzen, mij goed! Voorhands wantrouw ik

de aanhoudende kracht van je weerstandsvermogen.”

„Ik zou het toch waarachtig niet hebben gedaan,” zei Vermey met

overtuiging.

„Het is mogelijk, maar ik durfde het er niet op te laten aankomen. Ik

wil Lena niet ongelukkig zien.”

Hij zei dat laatste met zooveel kracht en doordrijvende overtuiging,

dat Vermey verwonderd opkeek en toen op het gezicht van Voirey een

haast dreigende uitdrukking zag, die hem verraste en ergerde tegelijk;

die zooveel scheen te zeggen als: wanneer jij haar ongelukkig mocht

maken, krijg je met mij te doen. Een boos woord lag hem op de lippen,

en achter dat woord stak het verlangen neef Jan eens te vertellen, dat

het geluk van Lena een zaak was, waarmede deze zich niet had in te

laten.

Doch George kon met Voirey niet gaan twisten; hun zaken lieten geen

slechte verhouding toe.

„Enfin,” zei hij zuchtend, „het is nu in elk geval gedaan. Dat is

althans één vervelende omstandigheid minder in de wereld.”

Ze gingen van elkaar af of er niets was gebeurd, en wat Voirey aangaat,

was dat zoo; maar bij Vermey bleef een onaangenaam gevoel achter, dat

hem bitter stemde en veel terug deed keeren van den vroegeren reeds

lang verdwenen onpleizierigen indruk, dien de persoon van Voirey

vroeger op hem maakte.

Yps was er overbluft van.

Zij wist wat er was gebeurd; haar toean had het haar verteld.

Het huis moesten zij over een paar dagen uit; het was gekocht door den

neef van Vermey’s vrouw!

Nu was zij erachter! Nu wist ze, waarom hij niet wilde met haar! Hij

wilde wel, maar hij durfde niet! Het was die vrouw, die hem in bedwang

hield; voor wie hij bang was; die vrouw met haar geld en haar familie

hielden „Sors” vast, en dáárom was hij niet brani geweest met haar meê

te gaan, en dáárom durfde hij zelfs niet uit de verte naar haar kijken.

Zij zocht zich een plaatsje achter den pagger, waar zij ongezien door

een kier tusschen de bamboe kon gluren over het achtererf van Vermey.

Ze zag er Lena heen en weêr dribbelend, haar huiselijke bezigheden

doende en nu en dan onderhandelend met kippenkooplui, vruchten- en

groentenverkoopers, Chineezen met allerlei goederen enz.

Rustigjes, nu en dan een woord wisselend met haar naaister, die op den

grond huishoudengoed zat te verstellen, deed Lena haar zaakjes met ’n

gemoedelijken zeemansgang als gevolg van haar gevorderde zwangerschap;

haar ontzaglijke blonde haardos was slechts aan het hoofd met ’n blauw

lintje saamgebonden; ze zag er zoo gezond uit nu weer, als ooit te

voren, en ze voelde zich heel opgewekt van humeur; heel gelukkig en

tevreden over het heden en de toekomst.

Wel een kwartier lang zat Yps onbeweeglijk aan den anderen kant van den

pagger; de oogen, door den kier glurend, blonken als karbonkels in het

donker gezicht. Dat was dus haar vijandin; de vrouw, die haar den man

onthield op wien zij Yps, volgens haar begrippen alle rechten had,

althans in de omstandigheden, welke de andere, de wettig gehuwde

doorleefde.

Maar dat gunde zoo’n njonja blanda haar niet. Nog liever liet zij het

huis onder haar wegkoopen, zoodat ze als een hond haar eigen deur werd

uitgejaagd!

Verwonderlijk gauw, naar het Vermey toescheen, werd hij van zijn

buurvrouw verlost. Op een ochtend toen hij naar zijn kantoor ging zag

hij, dat er in het huis van Voirey aanstalten werden gemaakt tot het

opladen van goed. Bij zijn terugkomst in den namiddag vond hij zijn

vrouw niet, als gewoonlijk, aan de theetafel.

„Mana njonjah?” vroeg hij.

Maar geen der bedienden wist het, tot eindelijk een het vermoeden

opperde, dat mevrouw brangkali di seblah was.

Vermey keek over den pagger, zag Lena werkelijk in het leêge huis en

riep haar goeden dag.

Zij hief haar handen omhoog, zonder eens zijn groet te beantwoorden,

geheel onder den indruk van een schandaal, dat ze ontdekt had.

„Het is verschrikkelijk!” riep ze hem toe.

„Wat?”

„Wel, zooals ze dit huis hebben verwaarloosd en uitgewoond.”

„Ja, als men en garçon leeft.”

„Maar zóó smerig behoeft niemand een huis te bewonen en dan die

bijgebouwen! Ik ben in de kamer van de meid ook geweest. Dat is me ’n

boeltje! Je moet voor de grap eens komen kijken.”

„Weet je wat?” riep Vermey lachend terug, „kom jij maar liever hier en

schenk me een kop thee. Ik ben er niets nieuwsgierig naar.”

„Voor de aardigheid moet je ’reis komen.”

„Ik ga me lekker maken voor de aardigheid,” bleef hij weigeren en liep

hard naar binnen.

Het stuitte hem tegen de borst met zijn vrouw de kamer binnen te gaan

waar Yps had gewoond. Het was nu uit en het was heel goed zoo,

eigenlijk.

Maar toen hij ’n uur later op het erf naar zijn planten keek, was het

hem net of hij iets miste; hij zag nu vrij rond over het erf van het

naaste huis; er was niemand; er werd niet gekucht en gehemd noch

zachtjes gezongen; hij behoefde niet op te passen dat zijn blikken niet

in een onbewaakt moment daarheen dwaalden; het was niet noodig zich erg

trotsch en ongenaakbaar te houden, want het gevaar bestond niet meer;

het achtererf was leeg en verlaten.

Bij al zijn goede voornemens om trouw te blijven aan... zijn positie en

zijn vrouw, had het toch in stilte zijn ijdelheid gestreeld, dat „die

meid” zich nu zooveel moeite voor hem gaf en niet afhield, hoe ruw hij

haar ook had bejegend.

Er was over hem een gevoel gekomen van spijt en teleurstelling,

waarover hij zich te goeder trouw verwonderde, en dat zijn

zelfvertrouwen een harder stoot toebracht, dan de woorden van Voirey

hadden gedaan. Dan moest hij dus neef Jan weer als gewoonlijk dankbaar

zijn!

Later begon hij daaraan weer te twijfelen. Indrukken gingen bij hem

niet diep. Hij was er te oppervlakkig en te egoïstisch voor. Na een dag

of wat waren spijt en teleurstelling verdwenen en nu zou hij het weêr

met alle kracht hebben ontkend, dat die ooit bestaan hadden.

Het was verbeelding geweest, anders niet; een zaak van gewoonte, dacht

hij, die op z’n hoogst bewees, dat men ook aan het onaangename en

vervelende gewennen kan.

Van Yps hoorde of zag hij niets, en na een maand, toen het huis aan de

ideale menschen, die Voirey zich had gedroomd, verhuurd was, dacht hij

ook in het geheel niet meer aan haar.

Zoo leefden zij weer rustig en gelukkig, met zorg en teederheid voor

Lena en haar positie, voor George en de zijne.

Tot hij op ’n middag van zijn kantoor werd geroepen.

Hij wist al wat het was: Reeds ’n dag of wat te voren was ze onwel

geweest, en de dokter had gezegd, dat „het” komen kon als het wilde;

maar dat ’t nog wel eenige dagen duren kon ook.

Nu zou „het” dan wel komen!

Uit de verte zag hij het coupeetje van den dokter op zijn erf staan en

den huurwagen van de vroedvrouw, die het eigenlijke werk zou doen; den

dokter had men er pour acquit de conscience bij, ook omdat het netjes

stond, vond Vermey, en vooral, „omdat men toch nooit kon weten.”

„U komt juist op tijd,” zei de dokter, lachend toen Vermey, die het

huis was omgeloopen, de achtergalerij zachtjes binnentrad.

„Hoedat?” vroeg hij met domme verbazing en de oude uitpuiling van zijn

groote blauwe oogen.

„Ik feliciteer je, gelukkige vader!”

Vermey bespeurde niets hoegenaamd van de ironie, die uit den toon

klonk. Hij kreeg een erge kleur, en vroeg zoo mogelijk nog verbaasder:

„Is het er dan al?”

„O jé! ’t is al haast jarig!”

„Maak geen gekheid dokter! Wat is het?”

„Een jongen, en een flinke jongen ook, met een stevig corpus en een

paar goede longen. Daar hebt u alle eer van.”

Op zijn teenen sloop Vermey naar de kamer. Allerlei lauwe, gemengde

luchtjes kwamen hem te gemoet, waaronder één overheerschend van slappen

brandewijn met suiker; zoo’n zoetig spiritualiënluchtje!

Hij gaf Lena dadelijk een hartelijken zoen, ze glimlachte en schold hem

liefdevol uit voor „leelijkert,” met een uitgedrukte neiging tot de

grootste vergevingsgezindheid op haar gezicht.

Zijn zoon werd hem voorgesteld, en het verwonderde hem, dat dit zoo’n

geringen indruk op hem maakte. Hij had zich dezen Jan Vermey den

Eersten heel anders gedacht; veel „menschelijker” en verstandiger.

Maar hij zoende met plichtmatige vaderliefde op de sterk rose

vleeschbobbeltjes der dikke wangen, en half vragend, half bluffend zei

hij tegen de vroedvrouw, die hem zachtjes had geluk gewenscht:

„Het is ’n ferme kerel, hé?”

„’n Wolk,” zei ze. „Hij lijkt sprekend op zijn vader.”

Vermey keek haar wantrouwend aan, en scheen niet gevleid. Zóó weinig

ontwikkeld was de jonggeborene niet of zijn oude heer had wel gemerkt,

dat de neus van Lena, van Voirey en van wijlen de oude mevrouw Bruce op

z’n klein gezicht ’n miniatuurtje hadden, en er geen sprake was van een

der basterd-wipneuzen, die sinds onheugelijke tijden het echte kenmerk

waren der Vermey’s.

Er was in de eerste dagen een phase van stille drukte en groote

teederheid ingetreden.

Voirey was ook gekomen om zijn petekind te zien. Hij had het geen zoen

gegeven; daar liet hij zich alleen mee in als het volwassen en

dragelijke exemplaren van het vrouwelijk geslacht betrof.

„Dat is nu mijn jongen!” had hij, om te plagen, tegen Vermey gezegd,

die hardop gelachen had, maar bij zichzelven hoogst ontevreden was over

zoo’n verregaande aanmatiging van gezag.

Hij nam daarom dadelijk wraak en vroeg:

„Moet ik hem nu aangeven als Johannes,” en daarbij sprak hij den naam

zoo lijzig lang uit, dat Voirey kwaad riep:

„Ben je dwaas! Ik heet Jan, en daarmeê basta. Waar is nu zijn

spaarpot?”

Vermey haalde z’n eigen portefeuille voor den dag.

„Voorloopig hier,” zei hij.

Eenigszins aarzelend, ook weer om te plagen, gaf oom Jan de vijf mille.

„Maar dadelijk bij de Bank brengen!”

En toen hij in dat opzicht was gerustgesteld ging hij heen en liet zich

in geen weken zien, schoon hij in den eersten tijd geregeld naar de

gezondheid van Lena liet vragen.

Onder den indruk van zijn nieuwe huiselijke omstandigheden was Vermey

in de eerste dagen thuis geheel vervuld van voorkomende zorgen voor

Lena en belangstelling in het kind.

Het was hem in het eerst alles vreemd en nieuw; hij woonde alles bij

met de grootste belangstelling; hij kwam kijken als onder luid en

driftig krijschen het kind verzet aanteekende tegen de reinigingskuren,

waaraan het onderworpen werd; hij zat met belangstelling de eerste

pogingen om met het zuigen op streek te raken gade te slaan, en keek

met verbazing en eerbied naar zijn tengere vrouwtje, die zoo „volop”

had, en, zonder dat hij er iets van bespeurd had op zoo’n

onverklaarbaar geheimzinnige manier in een ware melkfontein was

omgetooverd. Het wonder van het water uit de rots was, dacht hij,

daarbij vergeleken een kleinigheid!

Doch heel gauw was hij aan dat alles gewoon, en toen acht dagen later

Lena, die nogal geleden had, langzamerhand op de been kwam, was het

Vermey alsof hij zijn leven lang met het vaderschap eigen was geweest.

Zijn overmatige belangstelling week; hij bemoeide zich nog slechts

matigjes met wat zijn kind betrof, en terwijl de liefde en toewijding

van Lena als het ware met den dag in evenredigheid toenamen, begon

Vermey het bezit van een kind als de meest gewone zaak ter wereld te

beschouwen. Doch voor Lena bleef hij vol attentie. Hij vond, dat ze

iets bijzonders over haar had gekregen, iets wat hij vroeger nooit had

opgemerkt, reiner en fijner; vooral haar tint was opgeblankt, maar het

was juist, vond hij, altemaal zeer te bejammeren.

In de gegeven omstandigheden was hij immers tijdelijk een neutrale

mogendheid, en als zoodanig waren alle ontdekkingen van dien aard voor

hem van geen practisch belang; integendeel!

„Verveelt het je niet, zoo altijd ’s avonds thuis te zitten?” vroeg hem

Lena.

„Wel neen!” zei hij met overtuiging.

„Ik begrijp toch wel, dat het erg saai voor je is.”

„Och!....”

„Neen, spreek het maar niet tegen. Ik ben zoo vroeg moe ’s avonds.”

„En dan ga je naar bed; dat is goed ook.”

„Maar niks prettig voor jou.”

„Ik lees de couranten, en ’n boek en zoo.”

„Ga ook vroeg naar bed en sta dan vroeg op.”

Maar daarin had hij geen lust. Hij bleef liefst zoo laat mogelijk zijn

cognacje zitten drinken, tot hij verschrikkelijk slaperig werd. Als hij

dat niet deed, dwaalden zijn gedachten te veel en te vervelend af.

„Of ga eens naar de sociëteit.”

„Ik zal ’reis kijken.... misschien....”

„Zie je, ik kan je onmogelijk ’s avonds gezelschap houden. Het licht

hindert me dan zoo!... En ik slaap soms zoo weinig ’s nachts.”

Ernstig protesteerde hij tegen elke gedachte aan opoffering van haar

kant. Dàt mocht in ’t geheel niet gebeuren. Hij zou wel eens kijken!

Misschien ging hij dezer dagen wel eens ’n avond uit. In geen geval

moest Lena zich om hem bekommeren.

Zij kuste hem en ging naar haar kamer, terwijl hij ’n versche sigaar

ontstak en zuchtend over de tijdelijke schorsing van een deel zijner

maatschappelijke positie zich uitstrekte in zijn luierstoel.

"Nummer Elf" · 第 34 / 43 题