Voirey vond, toen hij van de begrafenis in het hotel terugkwam, tot
zijn groote verwondering Lena zeer bedroefd.
„Och,” zei ze met een medelijdende zijwaartsche beweging van het hoofd.
„Hij was toch zoo’n goeie, ouwe man.”
Voirey begreep er niets van, daarom zei hij ook niets.
„Wij hebben het altijd zoo goed kunnen vinden samen.”
Hij trok een leelijk, onwillig gezicht; hij had wel kunnen uitvaren,
zeggend: „Je liegt het, hij was geen goeie man en jullie hadt altijd
ruzie,” maar dat kon hij niet; dat was onmogelijk voor een gentleman
tegenover een dame, al was die nu ook zijn volle nicht.
Lena was toch anders ’n zeer ontwikkeld meisje, met een helder oordeel,
een goed verstand en die wat had geleerd. Al twistte hij vaak met haar
uit verschil van opvatting, toch moest hij in stilte dikwerf hulde
brengen aan haar scherpzinnigheid en oprechtheid. Thans begreep hij
noch haar tranen, noch haar woorden. Van die sterke inwerking van den
dood op het gemoed eener vrouw had hij geen flauw besef. Hij wist niets
hoegenaamd van dat snel werkend idealiseerings-proces, dat alle vlekken
uit de herinnering wegwischt; dat alle scherpe kanten dadelijk afrondt;
dat, als het lichaam ten grave is gedaald, de vroegere persoonlijkheid
meer geeft, zooals men hem graag zou gehad hebben, dan zooals hij in
werkelijkheid is geweest.
Voirey nam zijn maatregelen gauw en goed.
Een paar dagen later woonde Lena met haar broertjes bij een nette
familie; hij zelf was in het hotel gebleven; familie-leven was zijn
zwak niet; het kon hem niet schelen of alles altijd zoo precies en
netjes in orde was, als onder het bestuur eener goede huisvrouw.
Vermey had hen bezocht, den avond voor Lena’s vertrek uit het hotel;
hij had van niets bijzonders gesproken, maar gevraagd of hij nu en dan
eens naar haar gezondheid mocht komen vernemen, wat zij goed vond.
Het leven ging voort. Voirey wiens belangen aanhoudend meer
gecompliceerd raakten, kwam zelden, hij was soms weken lang op reis en
bemoeide zich met het nichtje en de neefjes hoe langer hoe minder,
naarmate zijn andere relaties zich uitbreidden.
Tot hij op een goeden dag, ’n maand of vier na den dood van Bruce, ’n
brief kreeg van de dame in wier huis Lena haar intrek had.
Hij was er kwaad om. Vermey kwam daar tegenwoordig haast elken dag, en
het scheen wel, dat er eenige plannen bestonden van den kant der
jongelui, maar mevrouw was van oordeel dat zij Voirey, die het geld
beheerde en de „kost en inwoning” betaalde, niet onkundig moest laten.
Nu, dat vond Voirey ook.
’s Avonds ging hij er heen en vond Lena in het galerijtje van het
paviljoen zitten lezen, terwijl de jongens in de kamer hun huiswerk
maakten.
„Ik wou je wel eens spreken!” zei hij.
Zij kreeg een kleur.
„Alleen?”
„Liever, ja! Zend, als je wilt, de kinderen maar een oogenblik naar
achter.”
Zij deed het met een kloppend hart; niet, dat ze bang was voor Voirey
of verplicht hem rekening en verantwoording af te leggen van haar doen
en laten,—maar zij beschouwde hem als oudste, als om zoo te zeggen:
„eerst-aanwezend” lid der familie met een onbeschreven gezag bekleed,
dat tot zekere hoogte kon uitgeoefend en in allen geval ontzien moest
worden.
„Is het waar, dat Vermey hier zoo dikwijls komt?”
„Ja,” antwoordde Lena zeer bedaard, „hij komt nogal veel hier. Haast
elken dag.”
„Dat is zeer ongepast van hem.”
„Och waarom?”
„Je hebt te veel verstand, Lena, om zoo’n vraag te doen,” zei hij
kwaad. „Je weet heel goed, waarom het niet te pas komt, dat ’n jong man
haast dagelijks bezoeken aflegt bij een jonge dame, die als het ware
alleen staat.”
„Maar met hem is dat toch ’n ander geval.”
Voirey keek haar aan als twijfelde hij aan de helderheid van haar
geest.
„Met hem?” herhaalde hij in een langen vraagtoon.
„Ja, natuurlijk,” zei Lena geraakt, „met hem.”
„Ik wist niet, dat er met Vermey iets bijzonders was; wees zoo goed mij
in te lichten.”
„Moet ik me daarover verklaren, Jan?” vroeg nu Lena op haar beurt
verwonderd, „je weet het toch zoo goed als ik.”
„Vooruit ermee, asjeblieft. Ik weet niets.”
„Papa heeft toch duidelijk genoeg op zijn sterfbed getoond, dat het
zijn laatste wensch was.”
Hij liep, zooals hij bij zulke gelegenheden gewoon was, peinzend ’n
paar schreden heen en weer, niet wetend wat daarop direct te
antwoorden. Zeker, hij had de laatste bedoeling van den ouden heer
volkomen gesnapt; ’t was waarachtig duidelijk genoeg geweest!
Maar dááraan hechtte hij nu niet de minste waarde. Bruce was in zijn
oogen een man, die eigenlijk nooit recht had geweten, wat hij deed: een
onverantwoordelijke individualiteit, geestelijk tot geringe hoogte
slechts toerekenbaar, en die allerminst in zijn laatste oogenblikken
begrepen had wat hij deed.
„Het is niet goed, Lena,” zei hij na eenige oogenblikken en kalmer dan
te voren, „zooveel waarde te hechten aan dat blijkbaar verlangen van je
papa.”
„Is dat niet goed?”
„Zeker niet. Vooreerst had hij het recht niet, levend, stervend of dood
op zoo’n manier in de bestemming van jouw leven, dat hem niet behoorde,
te grijpen.”
„Dat deed hij niet,” protesteerde zij. „Hij greep in niets; kasian, hij
kon niet eens meer ’n woord spreken! Maar hij verzocht het met zijn
zwakke handen en zijn brekende oogen, die ik nog altijd vóór me zie,”
eindigde zij snikkend.
Voirey haalde met ’n zucht zijn magere, breede schouders op.
„Hoe hij zijn verlangen te kennen gaf, doet niets ter zake; men doet
dat naar macht en gelegenheid; als men gezond is, dan zegt men, wat men
wil; als men stervende is en niet meer praten kan, geeft men het te
kennen zoo goed het gaat, op ’n andere manier. Maar dat heeft met de
zaak van een huwelijk tusschen jou en Vermey niets hoegenaamd te
maken.”
„Ik moet den laatsten wensch van mijn stervenden vader eerbiedigen,”
hield zij vol.
„Beste Lena, dat moet je niet. Het is een der krankzinnige begrippen in
deze oude, half verloopen samenleving.”
„Ik zou rust noch duur hebben, als ik het niet deed.”
„Dat zou je wel, kind. Geloof me dat zijn zinsbegoochelingen, anders
niet. Het betreft hier jouw eigen levensgeluk, en daar mag je op die
manier niet mee te werk gaan. Als het ’n ondergeschikt iets was, ’n
cadeau of legaat, wel dan zou ik zeggen, doe het maar; dàt maakt niet
uit. Nu is het nonsense, en je ouwe heer....”
„Ik verzoek u geen kwaad van mijn overleden vader te spreken.”
„Het komt niet bij me op, dat weet je heel goed. Maar ik wil de
eenvoudige waarheid in zulke zaken.”
„Welnu, de waarheid is, dat hij me met Vermey getrouwd wilde zien.”
„Och!” riep hij ongeduldig. „Ik bedoel de waarheid ook over gestorven
menschen. Dat moet. ’t Is als ware het ’n verdienste dood te gaan!”
„Dat geloof ik niet, maar het is vol beteekenis voor hen die
achterblijven.”
„Nonsense, kind! Allemaal ongezonde romantiek. De waarheid is, dat de
ouwe heer ’n heel gewoon mensch was, zelfs niet eens zooveel. Ik weet,
dat hij zich nooit veel aan tante liet gelegen liggen; en dat hij het
weinig deed aan zijn kinderen, heb ik bijgewoond. Je kunt me daarover
niets wijs maken.”
„Ik wil dat niet, maar....”
„Nu dan,” vervolgde hij, vrij heftig, „wees dan ook verstandig. Heb je
zin in Vermey, zeg het ronduit. Maar haal er niet die ongemotiveerde
caprice van je papa op zijn sterfbed bij; dat veel ik niet.”
„Dat je zoo’n hekel aan mijn vader had wist ik niet....”
„God, God!” viel hij haar wederom in de rede, zijn knokkige handen met
komieke wanhoop door zijn steile haren strijkend, „wat is het moeilijk
ditmaal ’n verstandig woord met je te spreken! Had ik ’n hekel aan hem!
Heb ik hem bij zijn leven slecht of maar onaangenaam bejegend?”
Zij schrok ervan. Neen, dat was waar. Integendeel, Jan was erg meegaand
geweest. Hij had zelfs meer toegegeven dikwerf dan zij zelf. Ze kon dat
alles niet ontkennen en was er verlegen mee.
„O neen! je bent altijd erg goed voor papa geweest. Maar daarom,” ging
ze voort met bevende stem, „begrijp ik nu ook te minder hoe je zoo hard
kunt zijn tegenover z’n nagedachtenis.”
„Kindlief, ik ben niet hard. Laat er toch geen verder misverstand
bestaan! Bij zijn leven, heb ik altijd den ouden heer laten doen, wat
hij niet kon nalaten. Goed! Hij was, die hij was. Hij had zichzelf niet
geschapen. Men kon hem dus niet alles zoo nauw toemeten, als jijzelf
dat dikwijls deed. Maar nu hij, stervend, nog een dwaas idee had, gaat
het niet aan dat uit piëteit als een bevel te beschouwen, waarvoor zich
iemand, desnoods zou moeten opofferen.”
Zij stampte driftig op den grond, met tranen in de oogen.
„Jan, ik wil niet, dat je zoo spreekt over papa’s laatste oogenblikken.
Wat weet je dan toch met al je wijsheid? Hoe weet je, wat hem toen
bezielde, en of het niet meer de ingeving was van een hooger macht, dan
de werking van zijn zwakken geest? Ik geloof dat het stervensuur heilig
is; dat het niet aan ons staat te beslissen, wat een eenvoudig mensch
op zoo’n gewichtig oogenblik, als hij afscheid neemt uit dit leven,
dringt tot handelen.”
Een oogenblik zweeg Voirey; hij had die wending niet voorzien en keek
stil naar het dunne rookspiraaltje, dat opkronkelde uit de asch van z’n
sigaar.
„Als er metaphysica bij komt,” zei hij zoo ijskoud als hij spreken kon
over dingen, die hij minachtte, „zal ik niet beproeven iets aan je
verstand te brengen. Je bent natuurlijk geheel vrij. Ik heb geen ander
recht, dan je van raad te dienen als bloedverwant en goed vriend. Wil
je daarvan niet gediend zijn....”
Lena had haar fijne handjes gevouwen en haast angstig viel ze hem in de
rede, zeer bleek:
„Spreek toch niet op die manier, Jan. Het hindert me zoo, dat we het
hierover nooit eens zullen zijn. Ik houd veel van je; als ik een oudere
broer had, zou ik niet meer van hem kunnen houden. Doch de laatste wil
van mijn vader is mij heilig, en als het aan mij ligt zal die worden
uitgevoerd.”
„Enfin, ik weet het nu; het moet dus maar gebeuren, en dan zoo gauw
mogelijk.”
„Er is geen haast bij.”
„Zeker! dat is er wel. Laat het verder maar aan mij over. Ik had je een
andere partij toegedacht, maar als de zaken zóó staan, zullen wij ze in
die richting sturen. Dat is alles!”
„Ben je niet boos op me?” vroeg Lena, gelukkig, dat zij het in zoover
had gewonnen.
„Volstrekt niet. Wij hebben immers zonder dat wel meer verschil van
meening gehad. Vrijheid, blijheid! Alleen betreft het nu een heel
ernstige zaak. Ten slotte, echter, moet je het zelf weten; je bent er
het naast aan toe.”
Hij riep de jongens, keek uit oude gewoonte hun cahiers eens in, wees
hun op fouten, sprak over hun school en over nog een en ander van
dagelijkschen aard; vroeg of het eten goed was en zoo, en ging na deze
soort van inspectie, heel welgemoed de roodsteenen trapjes af van het
galerijtje, naar zijn rijtuig, dat voor op het erf wachtte.
„Poelang!” had hij den koetsier toegeroepen, maar buiten veranderde hij
den last en gaf het adres op van het commensalenhuis, waar Vermey
woonde, want die was weêr van domicilie veranderd, met het oog op zijn
plannen en toen hij uit de houding van Lena vermeend had te mogen
afleiden, dat zij het ditmaal daarmeê eens zou zijn.
Het was wel etenstijd; hij verliep zijn diner en zou Vermey ook aan
tafel vinden, doch dat waren ondergeschikte zaken, waarmeê Voirey zich
het hoofd niet brak.
Inderdaad had Vermey nauwelijks zijn soep genuttigd of een jongen
bracht hem een kaartje.
„Dat is lastige visite,” zei een van de jongelui, die meê aanzaten.
Maar Vermey stond op met een gewichtig gezicht.
„Ik kan dien meneer niet laten wachten,” zei hij, het kaartje naast
zijn bord latend, uit een soort bluf, dat Voirey, die reeds ’n naam had
te Batavia als man van zaken en man van geld, hem zoo perloe moest
spreken.
Inwendig was hij niet erg gerust, wel begrijpend dat dit bezoek niet
voor niet was en onbekend met de te wachten resultaten.
Het kwam bij Voirey niet op zijn verontschuldigingen te maken over zijn
ongelegen bezoek. Hij was op een wipstoel gaan zitten in de voorgalerij
aan de groote zwart gepolitoerde tafel waarop de grijs uitgebeten
kringetjes van de bitterglaasjes in den vooravond geledigd, nog vochtig
glinsterden in het schijnsel der kroonlamp.
„A propos,” viel hij met de deur in ’t huis, „je herinnert je nog wel
de manoeuvre van den ouden Bruce?”
Vermey dacht: daar heb je het al. Hij kreeg een kleur, trok zijn dunne,
lichtkleurige wenkbrauwen hoog op en zette een ernstig gezicht.
„Welke manoeuvre?”
„Och! zanik nu niet!.... met die handen van jullie.... ’n Flauwe
aardigheid!”
„Ik heb er geen aardigheid in gevonden, meneer Voirey?”
„Je wilt toch niet zeggen, dat je daarin wezenlijk een aanwijzing hebt
gezien? Dat het iets is wat opgevolgd moet worden.”
„Als het aan mij ligt, ja. Ik heb altijd gehoord....”
„Jawel, ik weet het.... je hebt altijd gehoord dat de wil van een
stervende.... hoe is het ook weer?”
„Een heilige zaak is,” vulde Vermey aan.
Ze keken elkaar over tafel een oogenblik aan.
Voirey met groote spottende trekken om zijn lippen; Vermey met kleine
nippertjes van glimlachen bij zijn mondhoeken, die hij vruchteloos
trachtte in bedwang te houden.
Maar in eens werd Voirey heel ernstig.
„Zeg eens Vermey, houd je van haar?”
„Zeker doe ik dat.”
„Maar je bent toch niet, zooals men dat noemt, op haar verliefd.”
Vermey kreeg weêr ’n kleur en draaide met wanhopige verlegenheid over
de gevergde openhartigheid aan zijn geel kneveltje.
„Dat is te zeggen.... ziet u, ik ben geen jongen van achttien jaren
meer.”
„En wat wil je daarmee zeggen?”
„Wel, ik zou er b.v. niet ziek van worden, als het eens misliep; ik
kijk niet naar de maan en zit niet te zuchten; en ik schrijf ook geen
malle brieven....”
„Je bedoelt dus: een kalme genegenheid.”
„Juist, van menschen van onzen leeftijd. Wij weten, wat er te koop is
in de wereld, en wij doen geen dwaasheden meer.”
Hij had zijn geheele air aangenomen van vol man wat affaires de femmes
aanging. Voirey lachte hem in stilte uit, en vond hem grooter kwast,
dan ooit te voren.
„Dus je stelt je voor opnieuw aanzoek te doen om de hand van mijn
nicht, omdat haar vader op zijn sterfbed getoond heeft dat te
verlangen.”
Vermey knikte beslist toestemmend met het hoofd, en zei bovendien nog:
„Ja.”
„En uw financieele positie is toch niet van dien aard, dat u haar kunt
geven wat ze gewoon is.”
„Zij heeft immers zelf de middelen.”
„Het zou beter zijn als zij de vruchten daarvan tijdelijk afstond voor
de opvoeding van haar broers.”
Dat was een leelijke streep door de rekening.
„Maar dat is immers niet noodig, meneer Voirey,” riep George met
kennelijken angst. „We zouden als we getrouwd waren best de jongens bij
ons in huis kunnen nemen.”
„Hm! Nu, maak het maar zoo gauw mogelijk in orde; tracht het eens te
worden met Lena, en meld me dat dan zoo spoedig mogelijk.”
Voirey stond op en ging heen. Vermey vergezelde hem tot buiten aan zijn
wagen en keerde glinsterend van genoegen naar achter terug, waar men
reeds aan de vruchten was.
„Wat zie je er zalig uit,” zei een van de jongelui.
„Heb je door dien meneer Voirey een mooi baantje veroverd?”
Doch George lachte stil voor zich heen en vroeg nog wat van het koud
geworden eten, dat hij langzaam als tusschen zijn tanden oppeuzelde.
Hij merkte wel, dat er een gerucht liep langs de tafel, maar hij zou
ditmaal wijzer zijn dan vroeger en zich geen woord laten ontglippen.
Men zou hem thans niet kunnen verwijten, dat hij de huid van den beer
had verkocht voor hij het beest geschoten had.
Eindelijk vroeg er een:
„Mogen we je feliciteeren?”
Maar Vermey werd boos en zei heel effen: „Asjeblieft geen gekheid,
meneeren! Als ik u iets heb mede te deelen, zal ik dat wel doen. Thans
heb ik u niets te zeggen.”
Hij had, als oudere, eenige prestige onder de jongelui in het
commensalenhuis, en niet alleen om z’n leeftijd, maar ook door zijn
reputatie van fameus scharrelaar, die alle loopjes kende.
„Maak je er niet druk om!” zeiden ze. „Het is maar voor de ui.”
In zijn logement liet Voirey brood halen en door zijn bediende op een
petroleum-toestel ham en eieren bakken, die hij bij groote brokken en
met amerikaanschen spoed naar binnen werkte.
Daarbij dacht hij aan wat hem soms nu en dan in het hoofd was gekomen.
Hij hield heel veel van Lena op zijn wijze, en meer dan eens had hij er
aan gedacht haar te vragen. Maar hij had het altijd te druk of zoo, en
bovendien scheen het hem toe, dat de gelegenheid nooit goed was en men
voor zulke dingen een zee van tijd had. Dat was een misrekening
geweest.
Het leed thans geen twijfel of Lena zou trouwen met dien Vermey.
Jammer, eeuwig jammer! dacht hij. Haar moeder had zulk een nul tot man
gehad en nu zou zij zich ook verslingeren aan een hoogst onbeduidend
individu!
Het speet hem nu, dat hij zoo zorgeloos was geweest. Wie weet of zij al
niet lang samen getrouwd waren, als hij het haar had gevraagd toen
Bruce nog leefde. Maar aan den anderen kant, dacht hij aan zijn
chineesche nonna, die ook meê was gegaan, en die hij om den drommel
niet graag geheel liet varen. Neen, ’t was ten slotte beter zoo!
Hij sloeg zijn hand langs zijn oogen, als deed hij iets weg, dat hem
daar hinderde, en een paar minuten later zat hij voor zijn
schrijftafel, aanteekeningen, ontwerpen en schetsen van
fabriekswerktuigen te bekijken en zijn korte aanteekeningen te
schrijven op een blocknotes.
Van veel schrijverij was hij afkeerig; zoowel thuis als op ’t kantoor
was zijn lessenaar altijd clean; het zag eruit of er niets werd gedaan;
aan brieven en zulke dingen, die anderen zelf zaten te peuteren, alsof
daarin de verdienste stak van het zaken doen, had hij een hekel; dáár
hield hij zijn menschen voor.
De conventioneele tijd, die verstrijken moet voor men een meisje mag
vragen, wier vader gestorven is, deed als tijd zijn eenige plicht: hij
verstreek.
Toen hij om was, kwam op een goeden dag George een bezoek brengen bij
Lena; dat deed hij heel dikwijls, en toch wist ze thans, dat hij haar
voor de tweede maal kwam vragen zijn vrouw te worden. Zij zag het aan
zijn oploopen, aan zijn gezicht, ofschoon zij de eenige was, want
niemand zou daar iets bijzonders aan gezien hebben.
Hij was europeescher gekleed dan ooit te voren en met zijn klein licht
kneveltje, zijn ondanks alle nachtelijke excursies onverwoestbaar
frisch gezicht, droeg hij zijn zes-en-dertig jaren alsof hij er tien
minder telde.
Maar toen hij het schabelletje opkwam kreeg hij weer zoo’n verwenschte
kleur, en Lena, die wit werd om haar neusje, begon te beven.
„Hoe gaat het?” vroeg hij.
„Zoo..... ’t gaat nog al,” zei ze nauw hoorbaar.
Hij liet de oogen eens gaan over de broertjes, die hem met de noodige
drukte als een oude kennis handen kwamen geven.
„Dag jongens.... dag! Nou, niet zoo wild!” waarschuwde hij lachend,
toen een hem aan ’n mouw van zijn blauw-zwart jasje trok.
„Kom weest bedaard,” vermaande Lena ook. „Je zult nog het goed van
meneer Vermey bederven.”
„Het is de dartele jeugd,” meende hij.
„Ja,” zei ze zuchtend.
„Heb je lust ’n eindje op te wandelen?”
Haar oogen dwaalden ’n oogenblik doelloos rond.
„Ja,.... het is goed.... Ik ga even oploopen met meneer Vermey,” zei ze
tegen de broertjes. „Geen leven maken, hoor!”
De kinderen keken hen na, toen ze het erf afliepen.
„Zouden ze samen gaan trouwen?” vroeg er een.
„Och wat, zij heeft vroeger al niet gewild,” zei de oudste heel wijs.
„Als ik Leen was, nam ik een officier.”
„Ik ook. Maar niet een met dat rood en dat zilver. Als ik een meisje
was, zou ik er een willen hebben met goud en die op een paard rijdt.”
„Poeh!” riep de oudste weêr met zijn wijsheid. „Wat kletsen jullie
toch? Zij heeft wat te nemen! Zij moet ook maar wachten tot er een
komt, net als alle meisjes! En als er nu geen officier om haar komt,
wat dan?”
De anderen zwegen.
„Nou zie je wel! Misschien heeft ze vroeger wel gedacht, dat er nog een
zou komen, en daarom Vermey eerst niet willen hebben.”
Dit denkbeeld vond een zwijgende instemming, als iets dat
verontschuldigend was voor Lena om wie geen officier gekomen was met
goud en een paard. Toen ging de hinderlijke conversatie over op een
minder gewichtig onderwerp.