Voirey kwam niet weg van Indië.
Hij schold altijd op het land en het volk; hij noemde Java een
kinderachtig stuk grond, en de bevolking een troep ellendelingen; hij
herhaalde, dat hij wel spoedig afreizen zou; intusschen bleef hij.
Hij had het noodlot niet kunnen ontgaan; hij had geld gestoken in
landerijen en fabrieken, waar het erg secuur vast zat, zóó vast, dat
het niet los was te krijgen.
Intusschen had hij voor zijn neefs gezorgd; ze waren allebei uitstekend
geplaatst; één in het binnenland en een te Soerabaia; hij speelde den
papa in huis, surveilleerde de lessen van de kinderen en was de
zielevreugd van zijn oom, dien hij ongestoord liet putten uit zijn
sigarenkisten en zijn buffet met dranken.
Er was een jaar voorbijgegaan, zonder dat ze iets hoorden van Vermey.
Het leven liep dood in eentonigheid. Het huisgezin was stiller
geworden. De partijen in de sociëteit danste Lena regelmatig af.
Overigens geleek de eene dag precies op den anderen, behalve dat Voirey
nu eens op reis, dan thuis was, altijd geheel onverwacht en als
toevalligerwijze. Als hij thuis was kwam er ’n soort van drukte en
beweging; het scheen dat er dan ’n stuk buitenwereld in huis sloeg, dat
ook weer even stellig met hem verdween en niets achterliet, dan een
doodsche stilte.
Ditmaal was hij terug met bijzonder nieuws. Hij had weêr geld in een op
te richten maatschappij gestoken; men wilde hem directeur maken; maar
dan moest hij zich te Batavia vestigen: hij had er wel ooren naar, doch
hij wilde eerst weten of oom en Lena en de kinderen meêgingen.
Bruce had er heel veel tegen; machtig veel. Hij was gewoon al zooveel
jaar aan z’n heele omgeving; hij was er meê oud geworden, en kon zich
niet voorstellen hoe het hem gaan zou, als hij er eens uit was. Doch
aan den anderen kant was hij even gewoon aan het goede en royale van
Voirey en moest hij er niet aan denken dat diens verleidelijke bronnen
geheel voor hem zouden opdrogen.
„’t Kan mij niet „schelen,”” had Lena gezegd. „Ik wil hier ook wel
vandaan.”
De kinderen hadden elkaar aangezien met glinsterende oogen vol vreugde.
Verhuizen! Zij waren nooit verhuisd, en andere jongens deden dat zoo
dikwijls! Met een boot gaan!—het was hun nog nooit overkomen, en daar
hadden ze nu kans op.
„Kom oom, ik zou me er maar overheen zetten.”
Bruce zuchtte diep. Hij zou de soos niet meer zien; de goede oude soos!
„Wie weet of ik er wel eens ’n partijtje bij mekaar krijg.”
„Waarom niet? Ze spelen te Batavia zeker net zoo graag als hier.”
Maar de oude heer schudde het hoofd. Hij wist wel beter. Voor hem was
het een zaak van wikken en wegen; eenvoudig de vraag, wat het zwaarste
was. En dat bleek toch ten slotte de samenleving met dien zonderlingen
neef; toen Bruce dat eenmaal met zichzelven eens was, hechtte hij
eigenlijk aan niets meer.
Lena ging den laatsten dag erg bleek door het huis. Hoe had ze zoo
lichtvaardig er in kunnen toestemmen het te verlaten! Mooi was het
niet, en thans minder dan ooit. En toch was elke steen een herinnering;
riep haast elke kamer getuigen op uit haar verleden. Het ging haar
alles weêr door het hoofd, die laatste dagen in het oude huis. Zij zag
er haar moeder toen die nog gezond en wel was, weer doordwalen van voor
naar achter, van achter naar voren, altijd zorgend voor het huishouden
en de kinderen. Zij huilde als ’n kind toen ze heenging en het rijtuig
voor het laatst het bekende erf afreed, waar geen plant stond, die ze
niet zelf in den grond had gestoken, waar geen groote boom zijn kruin
verhief, of ze had hem gekend toen hij nog klein was, en zij ook!
„Wees niet kinderachtig, Leen;” zei Bruce korzelig. „Eerst wou je zelf
zoo graag weg, en nou zit je te grienen.”
En toen ze geen antwoord gaf, maar nog eens over de neêrgeslagen kap
met oogen vol tranen omzag naar de bovenvensters van het oude huis,
waarachter haar goede moeder zooveel leed had gedragen, ging hij voort:
„Neem een voorbeeld aan mij, Leen. Ik heb zoo dadelijk niet toegestemd.
Niet dan na rijp overleg. Maar nu het er eenmaal door is, trek ik me
ook niets meer aan.”
Het was stampvol aan den Boom; de meeste menschen kwamen er om Voirey
den millionnair, den deelnemer in tal van ondernemingen, den directeur
eener opgerichte maatschappij, de opgaande zon, het gouden kalf!
De Bruce’s, nu ja, dat waren maar eenvoudige luidjes; ze hadden heel
lang op de plaats gewoond, iedereen kende hen,—maar Voirey was een man
van geld en van zaken, en dus had al wat op zaken aast en op geld, zich
naar den Boom gespoed om hem de hand te drukken met profusie van
hartelijkheid en een groot vertoon van sympathie. Men kon nooit weten
hoe men hem nog eens in zaken kon noodig hebben. Eenige zeer
oppervlakkige kennisjes van Lena, die ze vaak in geen maanden ontmoette
en met wie ze nooit bijzonder hartelijk of vertrouwelijk was, legden nu
bij deze gelegenheid, een aandoening aan den dag, die niet grooter had
kunnen zijn als haar bloed-eigen zusters een levensgevaarlijke reis
naar de poolstreken ondernamen.
De oude Bruce was bij het zien van zooveel belangstelling ook erg
zenuwachtig geworden, en dat nam niet weinig toe, bij de komst van zijn
oude partners aan de ombre-tafel.
Hij gaf iedereen ’n hand, sommigen, die zich eigenlijk wel wat te hoog
voor hem achtten, glimlachten genadiglijk en zeiden beschermend: „Dag
meneer Bruce, het ga u wel;” anderen, die zich in hun nederige positie
heel vereerd gevoelden door ’n familiaren handdruk van den ouden heer,
knepen zijn vingers met groote hartelijkheid en kregen haast tranen in
hun oogen bij de verrassende ontdekking, welk een best mensch hij toch
was.
Geheel onder den indruk van dit afscheid, kwam de oude Bruce aan boord,
en terwijl de boot onder stoom ging, Voirey op het achterdek met een
onverschillig gezicht ’n sigaar zat te rooken in een rotanstoel, en
Lena naar beneden was gegaan om voor haar broertjes te zorgen,—keek hij
naar dat punt der als voorbij schuivende kust waar witte silhouetten
van hem zoo welbekende gebouwen zich afteekenden tegen de staalblauwe
lucht.
Ze werden al kleiner en kleiner en zonken weg in het verschiet, tot hij
ze door z’n brilleglazen niet meer zien kon. Toen pas voelde hij met
verwondering, dat hij onlekker was, en de vrees voor zeeziekte bekroop
hem. Zou hij, zoo’n krasse oude kerel, aan boord van een boot en bij
zoo’n kalm zeetje, zich nu gaan aanstellen als een jonge juffrouw? Dat
was een verschrikkelijk denkbeeld. Hij liep het dek met groote schreden
op en neer, den hoed achterover, om zijn voorhoofd te verfrisschen, de
grijze bakkebaarden opwaaiend naar achter over zijn schouders.
„U ziet bleek,” zei Voirey, toen Bruce hem passeerde.
„Dat komt van die aandoenlijkheid. Daar heb ik nooit tegen gekend. Ik
heb nu zoo’n onaangenaam gevoel in m’n keel, of er iets in zit.”
Het was in ’t geheel niet waar; hij voelde volstrekt niets in z’n keel,
maar hij zei het alleen om elke gedachte van zeeziekte te niet te doen.
„De zenuwen,” meende Voirey.
Bruce glimlachte met minachting.
„Dan komt bij mij de ouderdom ook al met gebreken.”
„Dat is zoo erg niet, oom. De meeste jongelui van den tegenwoordigen
tijd hebben last van de zenuwen ook zonder een aandoenlijk afscheid.”
„Het zijn er dan ook kerels naar!”
„Och.... Intusschen moest u ’n droppel brendy nemen; dat zal u goed
doen.”
Dat lachte den ouden heer toe en hij deed het.
„Jij bent nog eens ’n kerel met goede idee’s.”
Het hielp ’n oogenblik, al trok hij ’n vies gezicht tegen de inferieure
qualiteit van dezen drank, dien hij aan boord per heele flesch tot
hoogen prijs moest koopen. Doch het hielp niet op den duur. Tegen het
derde glaasje rilde de oude heer en hij wierp den halven inhoud over
boord; zijn gezicht zag akelig bleekblauw en het weeke, onvaste van den
ouderdom, met de gele en grijsgroene tinten in den omtrek der oogen,
kwam scherper uit.
„Misschien bent u wel zeeziek, pa,” meende Lena, die intusschen in een
eenvoudige grijze matinée naar boven was gekomen.
Doch juist daarmeê moest men bij hem niet aankomen.
„Ik geloof dat jij heelemaal gek bent,” snauwde hij haar toe. „Ik ben
geen kind.”
„Ga een uurtje in de hut liggen, oom,” zei Voirey; „probeer eens wat te
slapen; het zal u goed doen.”
„Mijn handen zijn zoo koud als ijs geworden: ze zien blauw,” antwoordde
hij, ze naar voren stekend. Ze zagen ook grauwbleek, en de knokkige
vingers met de sterke huidplooien op de gewrichtsbuigingen, beefden.
„U hebt koorts. Wezenlijk Jan heeft gelijk. Wil ik u naar beneden
brengen?”
„Zeg toch niet zulke malligheid, Leen. Denk je nou dat ik niet alleen
naar beneden kan komen? Tot straks dan.”
Hij stond op en waggelde weg in de richting van het hokje dat de
kajuitstrap overdekte. Lena, ongerust, ging hem toch achterna, en in
zijn hut, waar hij met zware zuchten, neêrzonk op de bank, liet hij
ziek en willoos toe, dat zij z’n schoenen en sokken uitdeed en hem
verder hielp in ’t verkleeden.
„Wat ik in mijn hoofd heb,” mompelde hij, „weet ik niet.”
„Wilt u iets verkoelends? IJscompressen?”
„Neen, dankie. Laat me maar stil, Voirey heeft gelijk. Ik moet wat
slapen.”
Ze ging heen. Ze dacht ook, net als neef Jan en als iedereen, die den
ouden heer naar beneden had zien waggelen, dat Neptunus hem te pakken
had gekregen.
Na een uur ging Lena eens kijken; hij sliep nog, maar praatte hardop,
met ’n vuurroode kleur in het gezicht en brandend hoofd. Zij riep
Voirey erbij, die een bedenkelijk gezicht trok en met den kapitein
sprak. Er was een officier van gezondheid als passagier aan boord,
bereid eens naar den ouden heer te zien, en die niet minder bedenkelijk
keek dan Voirey.
„Zware koorts; zeker meer dan veertig graden; ’n leelijk geval,” zei
hij tegen den ingenieur. „Er moet voortdurend bij gewaakt worden.”
„Zoudt u dat niet willen doen?”
De jonge dokter keek hem aan alsof hij wilde vragen: Ben je niet wijs?
Maar de kapitein knikte dringend den dokter toe, zóó dringend, dat deze
niet wist wat te zeggen.
„Ik zou het graag zien,” vervolgde Voirey, „en het komt er niet op aan
wat het kost, dokter. De oude heer moet goed verzorgd worden, en wie
kan dat beter, dan een geneesheer.”
Aarzelend stemde de dokter toe.
„Wat is dat toch?” vroeg hij den kapitein, toen hij met dezen alleen
was.
„Hij is millionnair. Waarachtig, meneer. Al rekent u hem duizend
gulden, het doet er niets toe.”
Te Batavia moest de oude Bruce in een draagstoel aan den wal.
Onwillekeurig keek Lena in die vreemde omgeving eens rond en ’t
verheugde haar een bekend gezicht te zien: dat van George Vermey.
Hij had uit de courant gezien, dat de Bruce’s met hun neef naar Batavia
kwamen met deze boot, hij had dadelijk het plan gevormd hen af te halen
van den Boom, en hij stond er bijster vreemd te kijken over de ziekte
van den ouden heer. Hij boog zijn lange gestalte over den rotanstoel en
zei met de gewone gemeenzame bonhomie:
„Zeg, oudste, wat is dat nou voor gekheid?”
„Dag Vermey,” antwoordde Bruce, erg afgevallen in die enkele dagen van
de reis, met een zwakke stem, „het ziet er beroerd uit.”
„Je mot je goed houwen, hoor! We zullen je wel opknappen hier in de
parel van Insulinde; ’t is anders je pareltje wel!”
Een glimlach gleed over het gezicht van Bruce; het was zoo gebruikelijk
en gewoon kwaad te hooren spreken van Batavia, dat het ’t gewicht had
gekregen onder elders in Indië wonenden van een heuschelijke
aardigheid.
Vermey was heel druk in de weer; hij zorgde voor alles; voor de koffers
en verdere goederen; voor rijtuigen en grobaks en voor het transport
van den ouden heer. Met een gewichtig gezicht vol bedrijvigheid, een
hoofd uitstekend boven de omstanders, inlanders bevelend en zwaaiend
met zijn lange armen had hij zich ineens als het ware aan het hoofd
gesteld der expeditie.
Lena was hem stil dankbaar. Zij was aan al die hurrie niet gewoon. En
Voirey, die het ook wel prettig vond op de vreemde plaats iemand te
hebben, die alles op zich nam, keek met stille glimlachen naar het air
van gewicht, dat over Vermey was gekomen nu hij zulk een grootheid aan
den dag kon leggen, in kleinigheden.
„Gaat maar vast in het rijtuig,” zei hij tegen Voirey en Lena, „en
rijdt maar met de jongens naar het hotel. De grobaks met het goed
rijden al af, en ik zal wel voor papa zorgen; laat dat maar aan mij
over.”
Bruce keek hem uit de geïmproviseerde tandoe aan met ’n soort teedere
vriendschap.
„Ga jij ook maar in ’n rijtuig,” zei hij.
„Waarachtig niet, ouwe heer! Ik blijf bij je, hoor! ’t Is wel niet
naast de deur, maar we zullen er wel komen.”
Met zorg en onder toezicht van Vermey spanden de koelies voor de
gelijke dracht de touwen hunner bamboes. Bruce zweefde in zijn
draagstoel een halven meter boven den beganen grond, en op een langzaam
sukkeldrafje ging het naar Weltevreden; Vermey er naast, den neus in
den wind, zijn lange beenen in groote stappen vooruit werpend.
„Lig je wel goed, papa?”
„Ja, Vermey, ’t gaat nog al.”
„Willen we niet even halt houden, ouwe heer?”
„Neen, Vermey, laat ze maar liever doorloopen.”
„Heb je geen dorst? Schokken ze niet te veel onder het loopen?”
Zóó waren onderweg de vragen en antwoorden, waarbij Bruce alweer diep
de overtuiging kreeg, dat hij veel meer gevoelde voor Vermey, dan voor
zijn eigen familieleden.
O, hij vond Voirey ’n best mensch, erg knap, erg wijs, bijzonder
verstandig, maar dat alles hield hem, Bruce, juist op een afstand en
was het tegendeel van een aanleiding tot toenadering. Hij had veel aan
Voirey te danken, doch dat droeg ook al niet bij tot meer genegenheid.
Dien Vermey vond hij zoo’n gewonen goeien vent. Die was niet zoo knap
en zoo geleerd; die behoorde meer tot zijn, Bruce’s soort menschen, en
daarom hield hij zooveel van hem.
In zijn tandoe op en neer en heen en weer wiegend met opkomende koorts,
en warm hoofd en verhoogd hersenleven, bedacht hij dit, half dommelend,
zoo duidelijk, als hij in normalen toestand zelden of nooit dacht.
Het had wel anderhalf uur geduurd.
Lena zond intusschen om den dokter, en die was reeds gekomen toen de
optocht met den zieke arriveerde.
De dokter meende, dat het malaria was en ordonneerde een bovenvertrek,
waarheen Bruce in een hevige koorts met groote moeite werd opgeheschen.
Er moest ook nu bij hem gewaakt worden, en dadelijk bood George zich
aan. Hij zou even naar ’t kantoor rijden, om verlof te vragen voor ’n
dag of wat.
Niet zonder moeite kreeg hij het. ’t Was hem gelukt een betrekking te
vinden, en hij voldeed daarin als bekwaam en geroutineerd geëmployeerde
zeer goed, maar het was een inferieure positie; er was geen
vooruitzicht, ten minste voorloopig niet.
Voirey moest al de eerste dagen naar de stad om zijn nieuwe
maatschappij te zetelen en had het erg druk. Lena zag dadelijk, dat men
aan zekeren stand te Batavia bijzondere eischen stelt; dat haar
broertjes anders gekleed moesten gaan, en zij zelf ook; zij vond het
onpractisch, stijf, saai en vervelend,—maar het was niet anders.
Een week lang paste Vermey den zieke op.
Toen behoefde het niet meer, want Bruce stierf.
De geneesheer had de koorts er niet onder kunnen krijgen en aan
transporteeren van den zieke naar het gebergte viel niet te denken. Het
was een week geweest, waarin Vermey haast niet tot slapen kwam. De
kamer, die een galerijtje had, sloop hij soms uit des nachts, en liet
zich buiten neer in een luierstoel, maar vijf minuten later riep hem
Bruce om drinken; water, ijswater, dat was al wat hij gebruikte.
Ze stonden allemaal om zijn bed, want de dokter had gezegd, dat het
dien nacht zou afloopen; er was een overweldigende zwakte ingetreden,
die herhaaldelijk den lijder in flauwte vallen deed. Hij was
onherkenbaar; in zijn buitengewoon witten baard dook zijn bleek
uitgeteerd gezicht weg als een onbeduidende grauwe vlek; het was nooit
een krachtige kop geweest door sterke beenvorming, maar een dikke met
veel vleesch en haar. Nu ’t vleesch was weggeteerd schoot er haast
niets over dan de haarmassa, die groeide en woekerde tegen alle
omstandigheden in.
Bruce was een oogenblik heel kalm. Hij hield de hand van Lena in de
zijne, maar zij hield vast, want hij had er geen kracht voor. Hij zocht
iets in flauwe bewegingen met zijn andere knobbels over de sprei;
Vermey, die huilde, nam de andere dwalende hand en toen probeerde de
stervende oude man, die niet spreken kon, de handen van Lena en van
Vermey op elkaar te brengen, wat hem gelukte omdat George zoo heel erg
meêgaf. En Bruce keek hem daarbij aan met een verzoek in z’n brekende
oogen.
Het was een korte begrafenisstoet. De kleine jongens zaten in een groot
rijtuig, onmiddellijk achter de lijkkoets; dan volgden Voirey en
Vermey, die opzettelijk maar elk een afzonderlijk vehikel hadden
genomen om wat luister bij de zaak te zetten.
Alleen Vermey trok aan het graf een bedroefd gezicht; hij, de eenige
vreemde, was tevens de eenige die iets toonde te gevoelen voor den
ouden kroeg-vriend. De gezichten der jongens stonden strak. Nooit had
hij hen toegesproken dan om op hen te brommen en te knorren; nooit een
hand naar hen uitgestoken, dan met boosaardige bedoelingen ten opzichte
hunner ooren. Het was den ouden Bruce, in zijn overweldigende zelfzucht
nimmer in het hoofd gekomen eens vriendelijk te zijn tegen zijn
kinderen of hen iets te schenken: geen cadeautje, geen cent! Nooit had
hij hen ergens meê heen genomen, waar iets aardigs voor hen te zien
was; hij had zich naar het scheen ingebeeld, dat de plichten van zijn
vaderschap hoofdzakelijk bestonden in een dwingen van het jonge volkje
om te doen wat ze niet graag deden.
De jongens huichelden nu ook niet. Ze keken onverschillig naar de kist,
waarin hun huistyran werd neêrgelaten in de kuil; het feit zelf trof
hen niet.
Voirey stond te verlangen dat het maar zoo gauw mogelijk zou afloopen;
met zijn amerikaansche begrippen had hij een bar prozaïschen afkeer van
plechtige langzaamheid van begrafenissen, welke hij heel oneerbiedig
aanstellerij noemde. Hij keek maar links en rechts het kerkhof over en
vond het zonde, dat hier zooveel marmer lag. En welk een volte op zoo’n
begraafplaats, het leek wel een uitdragerij van graftomben! Hoe goed
was toch een oven voor de lijkverbranding!
Langzaam gingen zij weêr terug; de jongens links en rechts
grafschriften en namen lezend; Voirey verontwaardigd over de smalle
paden en de malle coquetterie van sommige grafversiersels.
„’t Was toch ’n goede vent,” zeide Vermey met ’n zucht. Voirey keek hem
schuin aan.
„Och ja; dat ging nogal.”
Het was zeker niet aanmoedigend voor een lofrede op den overledene.
„Ja,” veranderde Vermey van onderwerp, met nog een zucht, „zoo gaan we
allen op onze beurt; de een vroeg, de ander laat.”
„Dat zal wel zoo zijn,” meende Voirey.
Buiten aan de poort bij de wachtende rijtuigen, reikte de ingenieur
Vermey de hand.
„U moet dezer dagen bij ons eens oploopen. We hebben nog wat te
bespreken.”
„Gaarne. Ik zou wel ’n klein souvenir van den ouden heer willen
hebben.”
„Zoo! Nou dat is goed? U kunt het zelf uitkiezen; daarover zal Lena het
wel met me eens zijn.”
„Als ik dan morgenavond kom, in den vooravond.”
„Goed, maar niet later dan morgen. U begrijpt, dat ik met mijn nichtje
en haar broertjes niet in het hotel kan blijven.”
„Neen,” zei Vermey zijn kneveltje opdraaiend, „dat is waar; dat gaat
niet.”
„Ik zal voor hen wel een onderkomen vinden bij een nette familie. Dat
komt van zelf terecht. Adieu, tot morgen dus!”
Vermey liet zich naar zijn huis rijden, een nederige woning ver buiten
de voorstad, waar hij met Yps heel gemoedelijk en eenvoudig leefde;
zijn tractement was voor de vroegere betrekkelijke weelde nu niet groot
genoeg.
Hij had meer dan ooit vues op Lena of liever op haar vermogen. Yps
hield hij uit gewoonte. De aardigheid was er tegenwoordig totaal af te
meer nu hij haar sterk verdacht van familiariteiten in zijn afwezigheid
met arabische kooplui, wat hem soms vies van haar maakte. Hij dacht aan
de dramatische scène bij het sterfbed van Bruce, terwijl hij zijn
zwarten rok uittrok en aan de baboe gaf om uit te hangen over het
lijntje en het benieuwde hem hoe Voirey en Lena het zouden opnemen en
wat er de gevolgen van zouden zijn.
Het kon toch haast niet anders dan zoo gebeuren, meende hij, zich een
bittertje schenkend tegen de ingeademde graflucht, alleen.... die
Voirey. Aan dien had hij het land; hij wist niet wat hij aan hem had,
en terwijl hij het noodige respect gevoelde voor zijn kunde, maar
vooral voor zijn geld, was hij tevens ’n beetje bang voor de abrupte
manieren en spreekwijzen van den amerikaanschen ingenieur.