Het was ’n mooie vendutie. Men begreep niet, waar de menschen vandaan
kwamen, maar ze waren er. ’s Morgens vroeg was Yps uit het huis gegaan;
zij moest meê naar Batavia, en dat vooruitzicht had haar heel vroolijk
en levenslustig gestemd.
Juist had Vermey zijn koffertje gepakt en stond hij op ’t punt óók te
vertrekken uit het voor de vendutie gereed gemaakte huis, dat zoo
proper was als nooit te voren, met een profusie van politoer glimmend
en glinsterend op stoelen en banken—toen een dos-a-dos stilhield met ’n
dame, die nogal besproken werd op de plaats.
„Wat komt die zoo vroeg jagen?” dacht Vermey glurend door de jaloeziën,
naar de jonge, knappe vrouw in sarong en kabaai, die in de voorgalerij
de bloemen liep te bekijken. Er kwam nog een voertuig het erf op en
daaruit stapte een onbekende meneer alleen, die de dame scheen te
kennen.
Maar Vermey maakte zich inwendig boos. „Ja, dat kan jullie begrijpen!”
mopperde hij bij zichzelf. „Daar zullen jullie weinig plezier van
hebben!” En hij begon luid om de bedienden te roepen, hardop pratend
van „menschen, die maar liever in den nacht moesten komen,” gooiend en
smijtend, zoodat de bezoekers, onaangenaam door zijn tegenwoordigheid
verrast, weêr gauw heengingen.
„Zulk vee!” schold Vermey hen hoofdschuddend nakijkend.
Toen er langzamerhand kijkers kwamen pour le vrai motif ging Vermey
heen. Nog een blik in ’t rond. Wie weet hoe drommels weinig zijn net
boeltje zou opbrengen! Een appel en een ei, dat zou ook hier wel ’t
resultaat wezen!
Doch het ging, zonder dat hij ’t wist, uitstekend. Het scheen, dat men
op de plaats kasian met hem en zijn schuldeischers had, en hem een
ouderwetsche vendutie wilde bezorgen. Er werden heel wat grappen bij
verkocht door de koopers,—allemaal aardigheden op Yps, wat den kooplust
scheen aan te vuren.
Opgetogen hoorde Vermey, dat de opbrengst driemaal hooger was, dan hij
had geschat. De tweehonderd gulden van Lena Bruce had hij nu in ’t
geheel niet noodig, hij hield ’n duizend gulden vrij in de hand en
daarmeê zou hij het voorloopig te Batavia wel stellen.
Lena keek vreemd op, toen ze hem dien namiddag in haar voorgalerij zag
staan.
„Ik kom u dat geld terug brengen,” zei hij blozend als altijd. „Ik heb
zoo’n magnifique vendutie gemaakt! Het is ongedacht goed gegaan.”
„Het doet me erg veel genoegen voor u. Geneer u overigens niet voor dat
geld. Dat komt wel terecht.”
„Ik wil het liever teruggeven, nu ik het niet noodig heb. Intusschen
ben ik u zeer dankbaar.”
„’t Is niet de moeite waard.”
„Nu niet, neen, en voor u in ’t geheel niet, maar ik was er zeer meê
geholpen.”
„Het blijft tot uw dispositie. Als het u soms te Batavia niet gauw
mocht gelukken....”
„Dank u.”
Vermey aarzelde; hij had nu eigenlijk niets meer te zeggen en toch
wilde hij wat zeggen; hij nam er den ouden toon van vriend des huizes
voor aan, vertrouwelijk.
„Je hebt intusschen maar heel verstandig gedaan laatst.”
Zij keek hem strak aan met haar heldere lichte oogen.
„Toen ik u bedankte?”
Vermey knikte toestemmend.
„Dat weet ik niet. Of ik er verstandig of dom aan deed, acht ik geen
uitgemaakte zaak.”
„Zelfs nu niet, nu ik zonder betrekking ben en als een beginner moet
zoeken naar ’n baantje?”
„Neen, zelfs nu niet. Het was voor mij geen vraag van min of meer
vérstand; ik deed zooals behoorde, zooals ik doen moest!”
„Ja,” zei hij met een zucht. „Ik weet, wat je bedoelt, Lena; enfin, ik
voor mij ben nu blij, dat het zóó is afgeloopen. Ik zou niet graag van
een vrouw financieel afhankelijk zijn. Dat ligt niet in mijn aard. En
overigens.... ik kan over zulke zaken heel moeilijk openhartig
spreken.”
„Over welke zaken?”
„Wel.... over.... het châpitre, huishoudsters van jongelui. Dat gaat nu
eenmaal niet,” ging hij voort, vuurrood tot in zijn nek, „maar geloof
me, het is niet anders. Ik ben de eenige niet. Alle jongelui doen
het.... hier in Indië.... en die het niet doen.... nu ja.... dat is nog
erger, zie je.”
Hij zag haast violet van verschrikkelijke verlegenheid en ook van
ergernis dáárover. Lena keek niet vriendelijk; zij was bleek van
kwaadheid om wat hij zei.
„U behoeft geen excuses te maken tegen mij,” zei ze verstoord, „en
evenmin iedereen van slecht gedrag of ongepaste dingen beschuldigen.”
„Geloof me toch,” hield hij vol. „Ik lieg waarachtig niet.”
„Dat is wèl waar. Mijn neef Voirey....”
Er glinsterde ’n scherpe triomf op zijn gezicht en in zijn eenigszins
uitpuilende blauwe oogen.
„Maakt op den regel geen uitzondering.”
„Het is een leugen,” zei ze verontwaardigd, maar ze zag wel aan zijn
houding, dat het geen leugen was; ze begreep nu ook wel, dat zijn
geheele gesprek ten doel had gehad dáárop neer te komen, en zij
eigenlijk, door den naam van haar neef onvoorzichtig te noemen in den
strik was geloopen.
„Ik hoop niet,” zei hij, „dat je het me kwalijk neemt.”
Zij keek hem donker aan; onderuit, met een voorwaartsche
lippenbeweging.
„Zeker neem ik het kwalijk.”
„Het spijt me razend; maar mijn schuld is het niet.”
„Dat is het wèl. Je hebt het met opzet gedaan.”
„In zoover ja. Ik moest me toch ’n beetje verdedigen. Laatst bracht ik
het er zoo slecht af.”
„Toch niet. Toen beter als nu.... fatsoenlijker.”
„Maar heel kaaltjes. Ik was.... beteuterd, en het scheen wel, dat ik
beladen met al de zonden van al de jonge mannen in Indië naar de
woestijn werd gestuurd.”
„Ik heb me enkel gehouden bij wat u persoonlijk betrof.... en mij.”
„Dat was het juist. In dit geval betrof het mij, zooals het....”
„Ik had alleen met dit geval te maken.”
..... „Zooals het in negentig van de honderd gevallen
ieder-ander zou hebben betroffen.”
„Daar heb ik niets mee noodig.”
„Maar ik wel, Lena. Ik moest me rechtvaardigen. Het is waar,—ik ben nu
eenmaal niet wat je in een man schijnt te verlangen; ik ben niet goed
genoeg voor je; dat stem ik allemaal toe; een meisje als jij moet een
man hebben, die zedelijk hooger staat dan ik.”
Hij zweeg een oogenblik, en zij, getroffen en ontwapend door die
bekentenis, zweeg ook. Of het kwam door de champagne, die hij had
gedronken op den goeden afloop van zijn vendutie, dan wel door de weeke
gelukstemming uit dien afloop voortvloeiend, wist hij niet; wèl, dat
hij als het ware dichterlijke aanvechtingen kreeg met
aandoenlijkheidsvisioenen, gelijk hij die hebben kon op kater-ochtenden
na kwart of halve nachten. En eenmaal op dreef in die richting, kwam
hij heelemaal los, met droevige stemmodulaties vol welgemeendheid,
hardnekkig zichzelf beschuldigend en verdedigend te gelijk.
„Niemand behoeft mij mezelven te leeren kennen, zelf ken ik het best
mijn groote tekortkomingen. Als ik mij verdedig, zoo goed en zoo kwaad
ik kan, verontschuldig ik mij niet. Integendeel.”
Zij stond op het punt hem in die verdediging ’n handje te helpen, nu
haar medelijden boven begon te komen, maar zij hield zich goed.
„Ik zal niet spreken van het verdriet, dat ik heb gehad. Dat geloof je
toch niet. Maar wat ik wel aanvoeren wil, is mijn ongelukkige toestand
al zooveel jaar. Ik was nog maar een kwa-jongen toen ik hier in Indië
kwam, en ik had hier vriend noch maag. Als men geen fortuin heeft en
geen relaties hier, maar eenvoudig jongste geëmployeerde is op een
handelskantoor, wat moet men dan aanvangen in dit eentonige land zonder
iets voor jongelui om zich te vermaken,—dan.... je begrijpt de rest!”
eindigde hij met een diepen zucht. En toen weêr voortgaande:
„Het wordt ten slotte een poel van ordinairheid, waarin een jonge man
alle moeite heeft niet te verzinken. Ik ben ten minste niet
verinlandscht. Dat is op zichzelf waarachtig al een kunststuk. Maar er
komt toch een oogenblik, dat men ernstig vreest; dat de invloed dreigt
te sterk te worden. Dan, als men dan zoo gelukkig is een goede,
fatsoenlijke vrouw te trouwen voor wie men achting gevoelt en
liefde....”
Zijn stem beefde, zoo aangedaan werd hij over zichzelf.
„Dan?” vroeg ze op zacht spottenden toon.
„Dan is men gered,” zei hij met plechtigheid.
„En de goede, fatsoenlijke vrouw, wat is die?”
„Hm?” vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen vol verbazing. „De vrouw?”
„Ja zeker! Hoe is haar positie?”
„Zij is een reddende engel.”
Lena moest hem in dat antwoord toch bewonderen; zij vond het zeer
gepast en treffend, en ze dacht erover na, voor het eerst gevoelend,
dat zoo’n fraaie rol voor haar aan zelfopoffering gewoon karakter nog
zoo slecht niet was.
„Ik hoop,” zei Vermey, „dat je een beetje beter over me denken zult;
dat is alles; ik heb mijn best gedaan je duidelijk te maken hoe de
omstandigheden in mijn nadeel zijn geweest; altijd!”
„Dat geef ik toe; het is zeer moeilijk jong op eigen beenen te staan.”
„Je kunt erover oordeelen, niet waar? Dáárvoor heb ik je altijd bepaald
bewonderd. En daarom wou ik nu ook niet zoo’n bijzondere verworpeling
zijn in je oogen.”
Zij stak hem, gevleid en glimlachend, de hand toe, die hij drukte met
grooter innigheid dan noodig was, en toen hij heenging, bleef ze in de
voorgalerij staan, hem stil nakijkend; tot zij nog slechts nu en dan
zijn lange witte figuur tusschen de naar de verte opdringende boomen
zag heen schemeren, en toen hij weg was, heelemaal weg, zoodat zij hem
niet meer zou terugzien, daar hij den volgenden dag heenging,—vroeg zij
haarzelf waarom ze hem dan toch eigenlijk had bedankt? Welke verdienste
er in haar houding stak tegenover zijn positie, die ze nu zoo erg
ongelukkig vond in alle opzichten.
Hij was de eenige, die haar ooit tot vrouw had gevraagd; menig meisje
had hem aangenomen met beide handen; hij was een knap man van
uiterlijk, veel kraniger dan Voirey, al kon hij wat capaciteit aangaat
niet in diens schaduw staan. Zij zag in haar afwijzing, die haar toen
zoo’n goede daad had geschenen, thans niets verdienstelijks meer
hoegenaamd. Wat moest er nu van hem worden? Hij zou
hoogstwaarschijnlijk een goede man voor haar zijn geweest, en ook voor
zijn huishouden. En zij zelf zou zielsrust hebben gevonden en
bevrediging; in haar eigen lief huishoudentje...
Zenuwachtig en haar tranen bedwingend beet zij op haar onderlip.
Het was te laat!
Er was niets meer aan te doen! Wat zou er trouwens aan te doen zijn
geweest? Zij was immers niet eens op dien man verliefd! Zij stond stil
bij die quaestie en vroeg zich af of zij eigenlijk wel iets gevoelde
voor Vermey, en wat dat was. Maar ze kreeg op die vragen geen antwoord.
Eén ding wist ze: ze zou hem althans niet zóó afwijzen, als ze gedaan
had, wanneer hij haar nog eens vroeg. Zij hoorde de stem van Voirey,
luid sprekend binnen met haar broers, die hij en passant als het ware
engelsche conversatie-les gaf, en ze dacht aan wat Vermey van hem had
gezegd; onwillig schudde zij het hoofd; dat had hij toch zeker gelogen
en dan was hij toch een onwaardig sujet! Zij zou het te weten komen;
zij wilde en zij zou; het was beneden haar de meiden uit te hooren,
maar zij zou het toch doen. En ze deed het dadelijk; ze riep een der
baboes in de goedang, en vroeg of die ook iets wist. Van zich geneeren
voor die meid, was bij haar geen quaestie; zij kon zich desnoods voor
haarzelf geneeren, maar voor ’n inlandsche baboe! En de meid wist er
alles van: o zeker, die toean ingris, zooals de bedienden hem noemden,
omdat hij engelsch sprak met de jongelui en ook wel met Lena, wel ja,
die had een chineesche nonna in de kampong achter het huis; ze wees de
woning in de verte aan; het pannen dak met witte kalkranden erlangs
keek brutaal-rood tusschen de atappen daken door.
Een nieuwsgierige woede maakte zich van haar meester; zij wilde nu
ineens alles weten, wat men te weten komen kon, en geregeld hoorde zij
de meid uit, die niets liever deed, dan over zulke dingen praten, en
alles vertellen wat ze wist.
Lena voelde, dat ze er half suf van werd! Haar vader, haar broers, haar
neef, allen leefden alsof wat men verstond onder zedelijkheid en
kuischheid niet geschreven stond voor hen. Zij alleen was fatsoenlijk;
haar geheele omgeving tot den minsten bediende, was ontuchtig en
bedorven. Ze dacht weer aan Vermey, dien ze had afgewezen omdat hij
zich onfatsoenlijk gedragen had, naar haar opinie. En terwijl zij zoo
kieschkeurig was, leefde de rest als ’n troep wilde beesten; terwijl
men haar van kind af had geleerd hoogst fatsoenlijk en rein te zijn,
deed haar heele omgeving met de grootste gemoedelijkheid en alsof dat
zoo behoorde juist het tegenovergestelde!
Wat was het dan voor een soort zedenleer, die haar slechts van één kant
scheen bekend te zijn, en die voor andere menschen, voor mannen
blijkbaar ook een anderen kant had; een geheel tegenovergestelde!
„Ga je mee van avond?” vroeg Voirey, die in de achtergalerij een
tijdschrift zat te doorbladeren.
„Neen,” zei ze bits.
„Niet in je humeur, nichtje?”
Zij haalde zwijgend de schouders op.
„Vermey is afscheid komen nemen,” plaagde een der broers lachend.
Lena wierp hem een donkeren blik vol minachting toe, die hem met een
verbaasd gezicht deed rondkijken, alsof hij iedereen tot getuige wilde
nemen, dat hij toch zooveel niet had miszegd.
Maar Voirey was ernstig geworden.
„Het spijt mij voor dien Vermey; ik zou hem graag hebben geholpen, niet
omdat ik geloof, dat Lena belang in hem stelt, maar omdat hij me ’n
geschikt man lijkt.”
„Dat is hij ook,” zei Bruce, die met z’n bril op het voorhoofd en een
roodflanellen kabaai aan ’n kop thee stond te slurpen.
„Ik vergis me daar niet licht in, oom; hij is geen man om aan het hoofd
te staan; daar heeft hij geen uiterlijk naar, maar hij is zonder
twijfel ’n voortreffelijk employé.”
„Wil je nog thee?” vroeg Lena.
„Dankje,” antwoordde Voirey opnieuw verwonderd over den vinnigen toon.
„U nog, pa?”
„Neen,” zei de oude heer, ook verbaasd.
„Jullie daar?” vroeg ze haar broers die haar met groote oogen aankeken
en in duo: „merci!” zeiden.
Zij liet dadelijk het theegoed wegnemen en liep naar haar kamer,
woedend, zenuwachtig opgewonden.
Welk een collectie gemeene huichelaars! Wat zaten ze daar gemoedelijk,
thee te drinken, en hoe fatsoenlijk alle vier in hun spreken! Zou men
niet gezegd hebben, dat het waar was, wat zij altijd geloofd had, dat
hun werken en woorden verband hielden? Bah! welk een slechte menschen!
Als het geen zonde was, dacht ze in haar verontwaardiging, zou men
zelfmoord plegen om niet gedrongen te zijn in zoo’n gemeene wereld te
leven.
„Wat had je toch vanmiddag;” vroeg ’s avonds Voirey toen ze wat
gekalmeerd was.
„Ik? niets!”
„Gekheid! Ik wil me niet in je hartsgeheimen dringen, Lena, maar als je
wellicht verdrietig bent om Vermey, kom er dan voor uit tegen mij; ik
kan hem helpen als ik wil, en als jij het gaarne hebt, zal ik het ook
doen.”
„Dankje, Jan. Laat Vermey zijn fortuin maar gerust te Batavia
beproeven. Als mij wat hindert; dàt was het niet.”
„Zoo.... wij dachten het.”
„Ik kan je in ’t geheel niet zeggen wat het was. Het is nu voorbij, ik
hoop voor goed.”
„Was het zoo erg?”
„Neen! Het was, zou jij en pa en iedereen zeggen, om te lachen, schoon
ik het vond om te huilen. Doch nu is het geheel voorbij.”
„Je bent een raar meisje, Leen,” zei hij na eenig nadenken. „Ik geloof
dat je ’n goede amerikaansche zoudt zijn.”
„Waarom?”
„Wel, die zijn anders dan gewone meisjes, en dat ben jij ook.”
„Het zal wel overgaan,” zei ze bitter. „Alles op de wereld is maar een
zaak van gewoonte. Ik ben me al aan zooveel in gedachten gewoon
geraakt, dat als Vermey me voor de tweede maal vroeg, ik hem althans
niet om dezelfde redenen zou afwijzen.”