DE INGENIEUR.

Op het dek van den stoomer, die, bij langzame slagen zijner

schroefbladen, zachtjes de reede opstoomde, stond naast zijn hutkoffers

een jonge man. Hij keek over het teêrgroene watervlak naar de lage

ruigte op den modderigen oever, waarvoor zich een lange grijze streep

vuilachtig water uitstrekte, door de rivier in zee geworpen, maar als

het ware daar in bedwang gehouden en verwezen naar zijn oorsprong: het

land. Het vaartuig lag eindelijk stil in de lichte deining, zacht

omzwaaiend voor zijn anker. Van den wal kwam een bootje, een oude

smerige „kast”; de kleine stoommachine zuchtte er in, dat het

aandoenlijk was om te hooren; net ’n mensch, althans in de verte! Er

lag ’n atappen dak op, practisch, maar vuil-uitziend en onooglijk. Het

kleine ding kwam aanstampen naar den grooten stoomer, als ’n kind om ’n

boodschap, hijgend en trillend van de haast om vooruit te komen, en

toch zoo langzaam!

Enkele nieuwsgierige gezichten keken, bij het naderen tot de lange,

hooge, zwart geverfde romp, naar boven, de ronde oogen der

patrijspoortjes voorbij, waar, over de reeling, de passagiers naar

beneden tuurden; een rij zich kenmerkend door ’n fantastische variëteit

van helm-, stroo- en andere hoeden.

En de menschen in het notendopje, dat langs zij kwam, zwaaiden een

welkomst met handen en zakdoeken omhoog, en riepen: „Bonjour!” en „Dag

vent” en allerlei hartelijke exclamaties met tranen in de oogen en

tranen in de stem; allen drongen naar de trap, die werd neêrgelaten

door matrozen met bruinroode onverschillige gezichten, opgestroopte

mouwen en blauwe geprikte ankers op hun ruige armen, onder een

zeemansdreun voor het gelijk vieren; matrozen, die in de overschatting

van hun eigen keurig gezond zijn, met minachting neêrzagen op de

indische menschen in het bootje omlaag, die haast allen de

on-hollandsche vaalgrijze tjap van een „langdurig verblijf in de

tropen” op het gezicht droegen.

Er was ook beweging gekomen onder de passagiers boven. Zij zagen daar

beneden wel de gezichten waar zij, vooral bij gure, sombere winterdagen

in Holland zoo innig en hartstochtelijk naar hadden verlangd; zij

voelden hun hart wel onstuimig worden, hun ademhaling sneller gaan en

dieper, hun oogen doffer worden en nat,—maar zij waren in hun

zenuwachtigheid toch nog „beschäftigt,” de aandacht verdeelend tusschen

koffers, doozen en pakjes boven en de menschen, die zij lief hadden

beneden.

En de een voor, de ander na gaf en ontving handdrukken en zoenen,

omarmde en werd omarmd, zei en fluisterde en hoorde zachte goede

woorden van weêrkomst en weêrzien en blij-zijn.

Alleen de eene heer, die zoo stil naar het strand had staan kijken,

deed niet mee aan het feest. Hij stond erbij met het gevoel van een

paria, vreemd aan al de menschelijke aandoening om hem heen. Maar het

kon hem niet schelen! Er was niemand hier aan den wal, dien hij ooit

had gekend in Holland, en zijn onbekende bloedverwanten wisten niet

eens, dat hij komen zou. Het laatst, en toen een afschuwelijke

stoomfluit op het kleine bootje een harden onbeschaamden toet had

uitgestooten,—rauw klinkend over het mooie water, in de zonnige lucht

en door de zondagsrust der stille zee, als een vloek in ’n kerk,—ging

de onbewogen passagier de scheepstrap af. Toch werd hem hartelijkheid

betoond. Er waren menschen opgedoken uit de machinekamer, sommigen

zwart en in vuil ondergoed; die hadden pas dienst gehad; anderen vrij

van dienst in uniform met de fluweelen uitmonstering, als tegenstelling

zoo in trek bij de mannen van het ijzer en staal; zij hadden den

eenzamen reiziger gegroet, hartelijk maar met dien uitgedrukten

eerbied, die spontaan is en niet afhangt van rangverschil; en de

scheepsofficieren ook, en de commandant was met hem sprekend achter hem

aan mee de trap afgegaan.

Met een hartverscheurend gesteun, dat een steenen hart zou bewogen

hebben, kwam de machine van het kleine bootje weêr in beweging en

stoomde allen naar den wal, de passagiers en hun vrienden en verwanten,

elkaar aankijkend met de vroolijke verwondering van menschen, die veel

van elkaar houden, elkaar in lang niet hebben gezien, vinden dat ze wel

veranderd zijn en toch weer verwonderd, dat het zoo weinig is.

Er werd met de oogen als ’t ware gewogen. „Wat zie jij er goed uit,”

„Wat ben je dik geworden,” „Wat heb je ’n hollandsche kleur

meegebracht,” dat zweefde zoo kiri-kanan onder het atappen dak van het

oude, zwoegende stoomertje, dat die taal al zooveel jaren kende.

Een bruine oude heer zat naast den stillen passagier, vol innige

bewondering te kijken naar ’n knap jong ventje, dat bij hem zat, goed

gekleed en met ’n bijzonder studentikoos gezicht; wat was die oude heer

gelukkig!

„Hij is toch maar mijn jongen,” zei hij tot zijn eenzamen buurman, die

goedig ja knikte met ’n cynischen glimlach om z’n mond; het was ’n rare

grappenmaker, die „mijn jongen”; daar had hij gedurende de reis zoo ’t

een en ander van gehoord en gezien!

Aan den Boom kwam weer de groote hurrie met bagage, die nagezien moest

worden, en haastige menschen, verlangend naar huis.

Ook hier was niemand om den eenzame te ontvangen.

„Rijdt u met me mee naar ’t logement?” vroeg de kapitein.

„Dank u. Ik moet eens informeeren.”

„Kan ik u ook van dienst zijn?”

„Misschien. Kent u de familie Bruce?”

„Bruce?” herhaalde de gezagvoerder met den vinger aan het voorhoofd en

de oogen dicht, nadenkend; „Bruce? Neen.... ik kan me dien naam niet

herinneren. Wat doen ze?”

„Niets, geloof ik. Rentenieren zoo wat.”

De kapitein vroeg het aan een verificateur.

„Welzeker,” zei deze, die haast had, „ik heb juist van ochtend mevrouw

Bruce helpen begraven,”—en hij verdween tusschen de menschen om toe te

zien op het lossen van het goed.

„Het is toch geen familie van U?” vroeg de kapitein.

„Ja, mevrouw Bruce was mijn tante.”

„Jongens, dat is geen aangename komst in Indië,”—en de kapitein, die

als zeeman ’n beetje bijgeloovig was, keek dezen pechvogel met

medelijden aan.

„Ik heb haar vroeger nooit gezien.”

„Was ze ziek?”

„Ja, we hebben daar enkele berichten over gehad; ’t was een langdurig

lijden.”

„Gaat u er nu nog heen?”

De vreemdeling aarzelde.

„Ik zou maar voorloopig in ’t logement gaan, mijnheer Voirey.”

„Dat zal ’t beste zijn. Nu, dan wil ik wel met u meerijden.”

De gedienstige mandoer van het hotel was er dadelijk om de zorg voor de

koffers op zich te nemen.

Jan Voirey snapte geen „koopje” in den gewonen indischen zin van het

woord; maar de gezagvoerder dacht het. Hij wist, dat deze passagier

ingenieur-werktuigkundige was, en niet geplaatst bij het alleen

zaligmakende koloniaal-bestuur, maar uitgekomen voor eigen rekening.

Wel had hij aan boord, naar het zeggen der machinisten, getoond erg

knap te zijn in zijn vak, en beweerden sommigen zelfs dat men moeite

zou gehad hebben met een zware reparatie gedurende de reis, zonder de

goede raadgevingen van den heer Voirey, maar de kapitein wist wel, door

een veeljarige ondervinding, dat capaciteit alleen in Indië niet altijd

vond, wat zij verdiende; daar hoorden meer en andere eigenschappen bij!

„En wat denkt u nu aan te vangen?” vroeg hij ’s middags in het hotel.

„Dat weet ik nog niet.”

„Het is niet alles hier in de-n-Oost! Er zijn tegenwoordig aardig wat

lui à la recherche d’une position.”

De jonge man keek hem glimlachend aan.

„Ik zal hun aantal niet vermeerderen.”

„U zal toch ook aan den gang moeten komen,” zei de kapitein,

wantrouwend in de heldere grijze oogen van Voirey kijkend, als stond

deze hem voor den gek te houden.

„Niet op die manier. Als ik hier wat doen ga, gebeurt het voor eigen

rekening.”

„Het is tegenwoordig heel moeilijk geld bijeen te krijgen voor

particuliere zaken.”

„Misschien wil ik het geld van anderen niet eens hebben.”

De kapitein glimlachte met ’n ongeloovig gezicht; hij had geen blagueur

gezocht achter dezen ernstigen jongen man; hij bleef ’n oogenblik heen

en weer schommelen op z’n wipstoel, met langzaam bewegen van zijn

verweerden kop, en turend door de krees naar den stoffigen weg.

„Het is geen kleinigheid hier zaken te doen voor eigen rekening.”

„’t Zal hier wel net wezen als elders.”

„Dat geloof ik niet. Ik vaar al ’n twintig jaar op Indië en heb er in

mijn leven rare dingen over gehoord.”

„Het kost veel geld, bedoelt u.”

„Och, dat bedoel ik nog zoozeer niet. Zaken oprichten kost hier ’n

handvol geld,.... maar ik bedoel.... Bent u b.v. een neef van den

gouverneur-generaal?”

„Toevallig niet.”

„Hebt u ook ooms in den Raad van Indië?”

„Neen,” zei Voirey, „die heb ik niet.”

„U zult toch allicht ’n tante hebben, die met ’n directeur van een

departement is getrouwd?”

„Ook dat niet.”

„Of voor ’t minst geparenteerd wezen aan een of meer residenten of

hoofdambtenaren te Batavia?”

„Niets, niemendal, commandant! Mijn eenige bloedverwante was mevrouw

Bruce, en die is dood. Maar wat wilt u met dat alles zeggen?”

„Kijk eens, mijn waarde heer: ik weet het niet, zie je, maar ik heb zoo

wel eens hooren beweren, door menschen van ondervinding en die het ten

minste konden weten, dat men om hier particuliere industrie te kunnen

drijven, steun moet hebben door bloedverwantschap. Dan krijgt men alles

gedaan, ook het onzinnigste; heeft men die niet, dan wordt men

stelselmatig tegengewerkt en krijgt niets gedaan, ook niet het

billijkste.”

„Dat zal wel overdreven zijn.”

„Best mogelijk! Ik zei het u immers, ik weet het niet; ik heb het maar

van hooren zeggen; lieg ik, dan doe ik het in commissie; maar die

committenten, daarvoor sta ik in, waren menschen van ondervinding.”

„En daar zou men dus met slagen, als.... Permitteer me commandant, dat

ik uw mannen van ondervinding houd voor het genre: indische

mopperaars.”

„Het is mogelijk. Ik zal het u niet opdringen.”

„Misschien ga ik over een maand of wat weer terug. Ik ben aan niets of

niemand gebonden. Ik zal eens rond zien hier en daar, en als ik denk

dat een machinefabriek op kleiner of groote schaal hier lukken zou...”

„Maar mijn beste heer, dat kost kapitalen.”

„Ik zeg u, dat dit het bezwaar niet is.”

„Meent u dat in ernst?” vroeg de kapitein, thans half en half

teruggekomen van zijn eerste gedachte, dat het maar bluf was.

„Natuurlijk! Ik maak nooit aardigheden over zulke zaken. Maar zooals ik

zei: ik weet in het geheel nog niet wat ik doen zal.”

„Maak u in elk geval eerst vrienden. Zoek de hoogste connecties, die

gij bereiken kunt.”

Doch de ingenieur schudde onwillig het hoofd; zijn vooruit gestoken

lippen en gefronste wenkbrauwen teekenden scherpen weerzin.

„Als ik er langs dien weg zou moeten komen, dan bedank ik er voor.”

„Ik mag lijden, dat u het zonder dien weg af kunt; maar...?”

„Wat wou u vragen?”

„Och niets! u zult zeggen, en terecht, dat ik me bemoei met eens anders

zaken.”

„Welnu,” zei Voirey. „Ik zie niet in, dat dit zoo erg is; het zou ’n

rare wereld zijn, als de menschen zich in ’t geheel niet met elkaârs

zaken wilden inlaten.”

„Dat is waar;” en zeer ernstig tegenover deze wereldwijsheid, die bij

hem „pakte”, herhaalde de kapitein; „dat is wel waar; het zou er al

heel beroerd uitzien.”

„Vraag dus maar op, commandant.”

„Waarom wilt u nu juist uw geld naar Indië brengen?”

„Ik begrijp de vraag niet; vooral niet van uw kant.”

„Nu ja, wij zijn natuurlijk blij, als er leven en vertier is; hoe meer

hoe liever.”

„En ik zie niet in, waarom ik daar niet wat zou toe willen bijdragen,

in plaats van het onder vreemden blijven zoeken. Daar heb ik zoolang

onder gezworven! En in Holland zelf wil ik niet wezen; dat is me te

benauwd.”

De kapitein sprak er niet verder over. Hij had met dezen passagier al

eens meer gepraat; er was één onderwerp, waarover zij het nooit eens

konden worden; de zeeman had een groote liefde en vereering voor het

„dierbaar plekje”; de ingenieur sprak er altijd met de grootste

geringschatting over. Op dat terrein liepen ze elkaar mis.

"Nummer Elf" · 第 15 / 43 题